Verbouwen

EU-geld voor woningrenovaties levert te weinig energiebesparing op

EU-geld voor woningrenovaties levert te weinig energiebesparing op
EU-woningrenovaties die worden betaald uit het coronaherstelfonds leveren volgens de Europese Rekenkamer slechts matige energiebesparingen op. Dat is de belangrijkste conclusie van een vandaag gepubliceerd verslag over de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF), waarin de bijdrage van deze renovatiemaatregelen aan energie-efficiëntie en de klimaatdoelstellingen wordt beoordeeld.

De financiering gaat grotendeels naar eenvoudig uit te voeren projecten, ten koste van ingrijpender renovatiewerkzaamheden die op lange termijn betere resultaten zouden opleveren. Zonder een betere doelgerichtheid, een duidelijkere focus op resultaten en intensievere monitoring dreigen toekomstige uitgaven onvoldoende bij te dragen aan de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU.

Zonder energie-efficiëntere gebouwen kan Europa deze doelstellingen niet halen. Toch is twee derde van de energie die wordt gebruikt voor verwarming en koeling nog steeds afkomstig van fossiele brandstoffen, en is bijna drie kwart van de gebouwen in de EU nog steeds niet energie-efficiënt. Daarom is de renovatie van bestaande woningen van cruciaal belang voor het terugdringen van het energieverbruik en emissies. Vooral grondige renovatieprojecten, die meer dan 60 % energiebesparing opleveren, zijn essentieel voor een zeer efficiënt gebouwenbestand.

"EU-geld voor woningrenovaties moet terechtkomen bij projecten die de grootste energiebesparingen kunnen opleveren. Toch zagen we maar al te vaak dat geld uit het coronaherstelfonds werd besteed aan makkelijkere, oppervlakkige renovaties en niet terechtkwam waar het de meeste waarde toevoegde", aldus Nikolaos Milionis, het ERK-lid dat verantwoordelijk is voor de controle.


In de meeste gevallen wordt de voorkeur gegeven aan snellere en eenvoudigere renovaties. Uit onze controlebezoeken in de lidstaten bleek dat projecten doorgaans niet worden geselecteerd op basis van hun verwachte impact. Daardoor is de kans kleiner dat de steun terechtkomt bij projecten met het grootste energiebesparingspotentieel of bij huishoudens die deze steun het hardst nodig hebben. Met andere woorden: de door de EU-landen geplande uitgaven van 43 miljard euro worden vaak snel in plaats van strategisch ingezet.

De auditors waarschuwen ervoor dat deze aanpak ook een tweeledig probleem kan veroorzaken. Ten eerste kunnen gebouwen door matige renovaties jarenlang in een lagere energieklasse blijven steken, waardoor toekomstige renovaties nog moeilijker en duurder worden. Ten tweede dreigen hierdoor investeringen te worden gedaan die niet optimaal zijn voor de decarbonisatie op lange termijn. De auditors constateerden dat er vooral veel vraag is naar de eenvoudige maatregelen — zoals het vervangen van ramen of installeren van zonnepanelen — terwijl energie-efficiëntere bouwwerkzaamheden minder vaak worden uitgevoerd.

Daarnaast plaatsen ze kanttekeningen bij de manier waarop de resultaten worden gecontroleerd. In de hele EU zijn de meeste door de RRF gefinancierde renovatiemaatregelen gericht op output, zoals het aantal gerenoveerde woningen of de oppervlakte van gerenoveerde gebieden. Slechts weinig maatregelen zijn gericht op concrete resultaten, zoals een lager energieverbruik. Van de 111 onderzochte renovatiemaatregelen bevatten er namelijk slechts drie streefdoelen voor energiebesparing.

Voor het schatten van de energiebesparing worden de EU-landen aangemoedigd om energieprestatiecertificaten te gebruiken. Maar volgens de auditors is deze informatie onvoldoende betrouwbaar en niet vergelijkbaar, waardoor deze ongeschikt is voor een goede monitoring. Dat komt onder meer doordat de geschatte energiebesparingen niet overeenkomen met het werkelijke energieverbruik, dat er ook van afhangt hoe mensen hun woningen verwarmen, koelen en gebruiken. Daarnaast bevatten de certificaten vaak fouten, waardoor besparingen kunnen worden onder- of overschat.

Tot slot wijst het verslag erop dat er te weinig aandacht is voor kosteneffectiviteit. Daardoor is het moeilijk om een slechte prijs-kwaliteitverhouding op te sporen en correcties aan te brengen tijdens de uitvoering van het project. Uit de analyse van de auditors, die verschillende soorten interventies, gebouwen en beleidskeuzes omvat, blijkt dat de kosten om één eenheid energie te besparen sterk verschillen tussen de nader onderzochte lidstaten. Een bijzonder treffend voorbeeld hiervan is de Italiaanse "Superbonus"-regeling, die naar verwachting alleen al bijna een derde (14 miljard euro) van alle specifieke financiering uit de RRF zal ontvangen. De kosten per eenheid bespaarde energie blijken bijna vier keer hoger te zijn dan aanvankelijk verwacht. Daarnaast dekt de regeling tot 110 % van de renovatiekosten, waardoor de overheidssteun hoger kan uitvallen dan de werkelijke steun. Volgens de auditors is hier duidelijk geen sprake van een kosteneffectieve besteding van EU-middelen.

Achtergrond

Woongebouwen zijn goed voor ongeveer een kwart (25 %) van het energieverbruik in de EU. Sinds 2021 heeft de herstel- en veerkrachtfaciliteit — waarbij 37 % van de financiering aan klimaat- en energiedoelstellingen moet worden besteed — de lidstaten de kans geboden om de verbetering van de energie-efficiëntie van woningen te stimuleren. Daarnaast heeft de Europese Commissie in haar voorstel voor de EU-begroting voor de periode 2028 2034 de optie opgenomen om door te gaan met de financiering van dergelijke renovaties.

Speciaal verslag 20/2026, "Verbetering van energie-efficiëntie van particuliere woningen dankzij de RRF — Brede financiële steun, maar tekortkomingen in de fundamenten", is beschikbaar op de website van de ERK, samen met een één pagina lang overzicht van de belangrijkste feiten en bevindingen. In het verslag wordt onderzocht of investeringen en hervormingen van de RRF op efficiënte en kosteneffectieve wijze bijdragen tot de energie-efficiëntie van woongebouwen. Om controle-informatie te verkrijgen werden met name renovatiemaatregelen en -regelingen in België, Cyprus, Italië en Litouwen onder de loep genomen.