Algemeen

Volume openbare werken 2005-2009 blijft onduidelijk

Gisteren heeft minister Kris Peeters zijn beleidsnota voor openbare werken bekendgemaakt. Eén rode draad heeft de Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) in deze beleidsnota alvast menen te onderkennen: de noodzaak van een objectieve afweging van de uiteenlopende infrastructuurprojecten. Dit is voor de aannemers positief nieuws. De keuze van de projecten hangt dan niet langer af van politieke wisselvalligheden. Op die manier kunnen de aannemers er zich beter op voorbereiden. Minder positief is dat de nota nergens verduidelijkt hoeveel miljoen euro het Vlaams infrastructuurbudget de komende jaren uiteindelijk zal bevatten. Vooral de jaren 2005 en 2006 dreigen slechts karig met projecten bedeeld te zijn. De sectoren van de wegenbouw, de waterbouw en de burgerlijke bouwkunde bevinden zich momenteel in een diepe crisis ten gevolge van de achteruitlopende overheidsinvesteringen. Indien deze investeringen nog twee jaar op het huidig laag niveau gehandhaafd blijven, dreigen onvermijdelijk faillissementen en ontslagen.

Het is de bedoeling van de minister na een objectieve afweging van de pro’s en con’s van de verschillende projecten tot een meerjarenplanning te komen. De start van een nieuwe vijfjarige legislatuur is trouwens het geschikte moment om met zo’n meerjarenplanning van start te gaan. Op basis van deze planning kunnen dan concrete jaarinvesteringsprogramma’s worden opgesteld. Op die manier kunnen de geselecteerde projecten tijdig worden voorbereid. Omwille van de almaar complexere milieureglementering vergen weg- en infrastructuurwerken een langere voorbereidingstijd. Een langere voorbereidingstijd bevordert bovendien een vlottere uitvoering.

Dit moet er op zijn beurt toe bijdragen dat infrastructuurwerken minder hinder veroorzaken. De hinder van openbare werken voor weggebruikers en omwonenden verminderen is een ander belangrijk aandachtspunt van de beleidsnota van minister Peeters. Deze hinder wil de minister tegengaan via bereikbaarheidsadviseurs, stringente contractbepalingen, boeteclausules, langere werkdagen tijdens kritische deelfasen en aanbestedingsformules waarbij de aanpak om tot minder hinder te komen één van de beoordelingscriteria wordt. Volgens de VCB is een tijdige voorbereiding van de werken minstens even belangrijk om hinder te voorkomen. En zo komen we dan weer uit op de zo noodzakelijke meerjarenprogrammatie.

De idee van een meerjarenprogrammatie zit duidelijk in de nota verweven maar het volume aan werken dat we de komende vijf jaren mogen verwachten, blijft onduidelijk. De nota somt een aantal prioritaire bekommernissen van de minister op. Dat daarbij een klemtoonverschuiving naar economiestimulerende infrastructuurwerken optreedt, vindt de VCB positief, evenals het voornemen om de komende vijf jaar minstens één derde van de zogenaamde ‘missing links’ in onze transportinfrastructuur aan te pakken. Maar hoeveel middelen de komende jaren naar welke programma’s zullen gaan, blijft in het ongewisse. De nota biedt dus onvoldoende houvast om voor de sector van de wegenbouw, de waterbouw en de burgerlijke bouwkunde van een ommekeer te kunnen gewagen.

We geven twee voorbeelden ter illustratie. De vorige regering had zich voorgenomen op vijf jaar tijd 800 ‘zwarte (verkeers)punten’ aan te pakken. Minister Peeters wil hiermee voortgaan. Maar de nota geeft er geen uitsluitsel over of deze doelstelling binnen vijf jaar ook effectief zal worden bereikt. Daarnaast komt er een doortochtenprogramma. Maar dit zal pas in de tweede helft van de legislatuur worden opgestart. Hetzelfde geldt voor de verdieping van de Westerschelde tot 13,1 meter tijongebonden vaart. De politieke besluitvorming hierover moet nog dit jaar worden afgerond. Maar de verdiepingswerken zullen pas in 2007 effectief van start gaan.

Het is bekend dat de Vlaamse regering in 2005 en 2006 slechts over beperkte budgettaire middelen zal beschikken. Pas vanaf 2007 zal meer budgettaire ruimte vrijkomen. Een andere constante in de nota is dan ook het zoeken naar alternatieve financieringsbronnen. In de eerste plaats denkt de minister aan de vervanging van de verkeersbelasting door het wegenvignet. Daardoor zullen ook buitenlandse gebruikers onze transportinfrastructuur mee helpen betalen. Belangrijk voor de bouwsector is dat de inkomsten uit het wegenvignet uitsluitend voor infrastructuurinvesteringen worden aangewend. Maar ook op dit vlak valt blijkbaar niet onmiddellijk soelaas te verwachten. Het wegenvignet zou er pas komen vanaf 2009.

In de tweede plaats opteert de minister voor een intensiever gebruik van Europese fondsen. In haar recentste jaarrapport heeft de VCB reeds vastgesteld dat de laatste jaren slechts 3% van de Europese subsidies voor de transeuropese transportverbindingen voor België waren bestemd terwijl Nederland bijvoorbeeld 7% van deze fondsen wist te bemachtigen. Volgens de VCB moet het dus voor Vlaanderen zeker mogelijk zijn meer uit de Europese fondsen te putten. Hopelijk zal deze beleidsoptie sneller worden geïmplementeerd.

Marc Dillen, Directeur-generaal van de Vlaamse Confederatie Bouw