Algemeen

RWS houdt ramingen bewust te hoog

Oud-aannemer Maarten Swart verklaarde voor de bouwfraudecommissie dat door creatief boekhouden weten de aannemers de marge op 2 tot 3 procent weten te houden.

Swart was de tweede getuige die verscheen voor de parlementaire enquêtecommissie die onderzoek doet naar de bouwfraude. Als directeur-eigenaar van een zandhandel en een aannemingsbedrijf, heeft hij volgens zijn verklaring onder ede zijn hele carrière geageerd tegen de praktijken van voor-voorvergaderingen en prijsafspraken. Het jaar 1992 was volgens Swart helemaal geen waterscheiding. Daarvoor gebeurden de meeste dingen ook al illegaal en daar is door het verbod op de prijsregeling door de Europese commissie niets aan veranderd.

Onmogelijk
Swart deed soms wel mee aan de vooroverleggen, anders werd het werken hem onmogelijk gemaakt, maar hij heeft de praktijken ook regelmatig bij opdrachtgevers aangekaart. Bij de Nederlandse Spoorwegen, die steevast met vijf of zes dezelfde aannemers werkten, terwijl er zeker veertig aannemers in staat waren een kwalitatief goede spoorbaan aan te leggen, maar vooral bij de afdeling Financieel Economische Zaken van Rijkswaterstaat in Den Haag. Hij vond daar gehoor bij ambtenaar Van Nouwen, die enkele keren ingreep in de praktijken van de regionale directies. Maar na het losbarsten van de bouwfraude-affaire, november vorig jaar, kreeg Van Nouwen onmiddellijk een spreekverbod opgelegd van de minister.

Swart staakte al zijn bouwactiviteiten toen de poging strandde om met zijn zandwinbedrijf Noordzeezand partner te worden in de zogenaamde fortput voor de kust van IJmuiden. Zijn toetreding werd volgens Swart niet alleen door Boskalis en Ballast, maar ook door Rijkswaterstaat gefrustreerd. En dat terwijl de officiële vergunning de mogelijkheid bood voor derden om de put mede te exploiteren. Noordzeezand had flink geïnvesteerd in de bouw van een zeegaande sleephopperzuiger die het zoute zeezand kon lossen in de put. Omdat hij zo niet langer wilde werken, verkocht hij zijn bedrijf aan Ballast Nedam. In het halve jaar dat hij de zaken afwikkelde op het hoofdkantoor van de bouwreus in Amstelveen kreeg hij van een lid van de Raad van Bestuur te horen dat bestek 6062 door Rijkswaterstaat op aandrang van Boskalis en Ballast zo was opgesteld, dat Swarts materieel nooit aan de vereisten kon voldoen. Hij mocht alleen aan de put verschijnen, als zijn schepen over oliebestrijdingsmiddelen, vangarmen en nucleaire detectieapparatuur zouden beschikken.

Na het voorspelbare verhoor van de nogal aarzelende Ad Bos, die voor een belangrijk deel herhaalde wat hij in eerdere Zembla-uitzendingen had gezegd, gaf Swart de buitenwereld zonder omhaal een indringende kijk in de wereld van de voorvergaderingen en corrupte ambtenaren. Hoofdoorzaak van alle kwaad is volgens Swart de praktijk van de overheid om niet openbaar aan te besteden. Een aanbesteding met voorselectie is volgens Swart in de praktijk geen openbare aanbesteding. De selectie vindt vaak helemaal niet plaats op basis van kwaliteit, maar op onduidelijke gronden. Steeds komen weer dezelfde vijf of zes aannemers uit de bus, die het werk vervolgens onderling verdelen. Omdat de ambtenaren niet terug willen naar Den Haag voor meer geld als het werk buiten de begroting loopt, ramen ze ruim en zijn ook niet te beroerd om dat de aannemers met wie ze intensief samenwerken te laten weten. Ramingen van infrastructurele werken zijn volgens Swart structureel 20 tot 30 procent te hoog.

Hinder
Een van de tegenspelers van wie Swart veel hinder ondervond, was hoofdingenieur-directeur P. Kieft van Rijkswaterstaat Noord-Holland. Tegenwoordig is hij hoofd uitvoering op het ministerie in Den Haag. Bij de aanbesteding van de een aanpassing van de rijksweg 22 bij Beverwijk in de jaren tachtig, kwam Swarts aannemingsbedrijf Hollebeek en Venz als laagste uit de bus. Toch kreeg hij het werk niet gegund. Kieft had Swart al eens toevertrouwd dat zijn bedrijf niet goed lag bij de afdeling. Waarschijnlijk, vermoedt Swart, omdat hij Kieft al eens had laten weten dat diens organisatie “zo lek was als een mandje”. Swart ging in beroep tegen de beslissing bij de Raad van State en kreeg na honderd dagen alsnog de opdracht.

Op de vraag waarom hij de misgelopen aanbesteding niet aankaartte bij de Raad van Arbitrage, antwoordde Swart dat die de belangen van de gevestigde aannemerij teveel behartigde: “Ze zijn wel deskundig, maar niet objectief.”


Swarts betoog voor de enquêtecommissie was glashelder en hij draaide er geen moment omheen. Slechts een keer haperde hij, toen hij vertelde over de 20.000 gulden die zijn bedrijf in 1991 cash uitbetaalde aan een ambtenaar van Rijkswaterstaat. Zijn emoties werden hem even te veel, maar na een slok water hervatte hij zich. Hij was van plan geweest de nummers van de briefjes van duizend te noteren en door te spelen naar de politie, maar hij zat toen net in de eindfase van de overname van zijn bedrijf en wilde het liefst alle schepen achter zich verbranden. De betaalde 20.000 gulden die van zijn rekening courant waren afgeschreven, verhaalde hij op Ballast.

Dergelijke transacties en onderlinge verrekeningen zijn voor geen accountant terug te vinden, benadrukte Swart nog. Met valse facturen of door geld weg te sluizen via buitenlandse vestigingen worden omkooppraktijken en prijsopdrijvingen buiten de boeken gehouden. Met zijn eigen bedrijven maakte Swart in de goede jaren wel 10 tot 15 procent winst; maar er kwamen ook jaren met verlies voor. Dat is voor de concurrentie niet anders, volgens Swart, maar aannemers zijn er heel creatief in om hun marges zo rond de 3 procent te laten schommelen.