Algemeen

Kloof tussen vraag en aanbod bouwarbeiders té groot

Heel wat bouwberoepen behoren al jaren tot de knelpuntberoepen. Geschikte arbeidskrachten vinden, is voor bouwbedrijven, zelfs in tijden van grote werkloosheid, allesbehalve gemakkelijk. Wie een bouwopleiding volgt, moet dus niet lang naar werk zoeken. Het aantal mensen dat een bouwopleiding volgt, hetzij in het secundair onderwijs, hetzij in het deeltijds onderwijs of bij de VDAB, via de werkzoekendenopleidingen, volstaat niet om de behoefte aan bouwvakarbeiders in te vullen. En dit om verschillende redenen. NACEBO heeft een analyse van de problematiek gemaakt en meteen een aantal concrete oplossingen uitgewerkt. De belangrijkste voorstellen hebben betrekking op de hervorming van het technisch en beroeps secundair bouwonderwijs. NACEBO vraagt de afbouw van het ASO-TSO-BSO-hokjessysteem, de opwaardering van het beroepsonderwijs, de creatie van kwaliteitsvolle sectorgebonden scholen en de introductie van bouwthema's in het vak "Technologische Opvoeding" en in het basisonderwijs. Met haar voorstellen wil NACEBO ervoor zorgen dat zowel de opleiding van de jongeren als de levenslange vorming beter afgestemd zijn op de behoeften van de (potentiële) werknemers en de bouwsector in zijn geheel.

De meeste bouwberoepen behoren al jaren tot de knelpuntberoepen. Uit enquêtes blijkt dat de bouwbedrijven veel problemen ondervinden in hun zoektocht naar geschikte, d.i. geschoolde, vakarbeiders. Er zijn drie kanalen waarlangs nieuwe bouwarbeiders gevormd worden: het dagonderwijs, het deeltijds onderwijs en de werkzoekendenopleidingen (bij VDAB). NACEBO detecteerde bij elk van deze kanalen een aantal knelpunten.

Wat het gewone voltijds dagonderwijs betreft (TSO en BSO) spreken de cijfers boekdelen. Té weinig jongeren kiezen in het secundair onderwijs voor een bouwrichting. In de periode van 1997 tot 2003 daalde het aantal leerlingen in het bouwonderwijs met maar liefst 17%. Bovendien stromen niet al deze jongeren uiteindelijk door naar de bouwsector. In Vlaanderen studeren elk jaar steeds minder bouwleerlingen af. In juni 2002 waren dat er nog maar 3.500, 15% minder dan in 1999. Slechts 56% van hen zijn uiteindelijk in de bouwsector aan de slag gegaan. Daarnaast moeten de bouwbedrijven vaststellen dat de kwaliteit van deze afgestudeerden daalt. Een van de oorzaken daarvan is het versnipperde onderwijslandschap. De bouw-kmo's willen dat meer jongeren kiezen voor een bouwopleiding en dat het onderwijs meer kwaliteit aflevert. NACEBO vraagt daarom een volledige hervorming van het technisch en beroepssecundair onderwijs. Dat veronderstelt in de eerste plaats het creëren van sterke sectorgebonden scholen. Jongeren moeten duidelijk kunnen kiezen voor een kwalitatieve opleiding die voorbereidt op een bepaald beroep. Een opleiding ook waarin voldoende praktijklessen en werkervaring zitten om de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt zo klein mogelijk te houden. Scholen die duidelijk maken dat je bij hen voor een specifiek beroep kan leren, trekken trouwens beduidend meer jongeren aan. Sterke sectorgebonden scholen hebben beroepsspecifieke leerkrachten, hebben voldoende middelen om het machinepark te vernieuwen, bieden specifiekere stageplaatsen aan, ..., kortom, bieden meer kwaliteit. Daarnaast pleit NACEBO voor een algemene opwaardering van het beroepsgerichte onderwijs, dat ook in het BSO na afronding van de opleiding een volwaardig diploma oplevert. Het zou trouwens beter zijn om radicaal af te stappen van het ASO-TSO-BSO-hokjessysteem. Het onderwijs moet jongeren opleiden en begeleiden op basis van hun mogelijkheden en toekomstperspectieven en dient dus een ruime waaier aan opleidingsmodules aan te bieden aan de jongere. Iedereen moet de kans krijgen een of meerdere bouwopleidingen in zijn lessenpakket te steken. Hierop voortbordurend stelt NACEBO voor om jongeren al van in het basisonderwijs kennis te laten maken met de bouw. Onbekend maakt immers onbemind. Dit gebeurt nu al voor andere beroepen - denk maar aan de kook- of naailes. En de door onderwijs aangekondigde proefprojecten om de grenzen tussen basis- en secundair onderwijs en tussen algemeen vormend en technisch of beroeps weg te werken, spruiten voort uit een gelijkaardige redenering.

De doorstromingscijfers van het deeltijds onderwijs liggen hoger dan deze van het voltijds. Het laat de jongeren dan ook vooral beroepsgerichte praktijkervaring opdoen. Het is een prima alternatief voor jongeren die liever de handen uit de mouwen steken dan op een schoolbank te zitten. Het probleem is hier dat deze vorm van onderwijs lange tijd stiefmoederlijk behandeld is geweest en een slecht imago meesleept. Het wordt al te vaak voorgesteld als de “vuilbak” van het onderwijs waarin enkel schoolmoeë jongeren terechtkomen. Hierdoor ligt de maatschappelijke waardering voor het systeem zeer laag. Onterecht, want het is geknipt voor wie een bepaald beroep wil gaan uitoefenen. NACEBO vraagt dat de overheid haar subsidiëring aanpast en het aantrekkelijker maakt om deeltijds onderwijs te volgen.

Voor vele beroepen uit de bouwsector bestaat in het gewone onderwijs (voltijds of deeltijds) geen basisopleiding. Bedrijven uit deze subsectoren doen daarom een beroep op de VDAB. Het aantal werkloze werkzoekenden dat een basisbouwopleiding bij de VDAB volgt, gaat al enkele jaren in stijgende lijn. NACEBO vraagt dat de VDAB voldoende sectorgerichte opleidingen blijft aanbieden. Daarnaast moeten VDAB en bouwsector beter samenwerken om ervoor te zorgen dat deze cursisten terechtkomen in een bouwbedrijf en niet als zwartwerkers aan de slag gaan, wat momenteel al te vaak het geval is.

In totaal leveren deze drie kanalen jaarlijks zo’n 5.000 bouwarbeiders af. Een aantal dat bovendien jaar na jaar afneemt. Een recente studie van de K.U. Leuven onderzocht de in- en uitstroom van bouwarbeiders. De conclusie was dat er jaarlijks een vernieuwingsbehoefte van zo'n 15% bestaat. Dat betekent dat in Vlaanderen jaarlijks nood is aan 15.000 nieuwe bouwvakkers. Wat impliceert dat er een 10.000 arbeiders op andere manieren moeten gevonden worden om in de bouw aan de slag te kunnen. De bouwsector moet deze behoefte dus op andere manieren invullen, wat ook gedeeltelijk lukt, door o.a. ongeschoolden aan te werven en die vervolgens een werknemersopleiding te laten volgen. De bouwsector investeert trouwens enorm veel in de bijscholingsmogelijkheden van haar arbeiders, o.a. via een speciaal sectoraal fonds. Deels uit noodzaak, om met bekwaam personeel competitief te kunnen blijven op de markt. Het aantal bouwvakarbeiders dat in Vlaanderen opleiding volgt, neemt elk jaar toe. Vorig jaar lieten niet minder dan 69% van de bouwbedrijven hun werknemers één of andere opleiding volgen, zo blijkt uit een door NACEBO uitgevoerde enquête. Het ging daarbij vooral om technische opleidingen en cursussen om de veiligheid op de werf te kunnen waarborgen. Het bestaande aanbod is evenwel nog voor verbetering vatbaar. NACEBO vraagt meer concreet om dit nog meer KMO-gericht te maken, met ruime keuzemogelijkheden, beroepsspecifiek, flexibel qua inhoud en tijdsindeling (ook ‘s avonds en in het weekend) en zonder complexe administratieve formaliteiten.

Met haar voorstellen wil NACEBO ervoor zorgen dat enerzijds meer jongeren voor een bouwopleiding kiezen en dat anderzijds de huidige werknemers de gelegenheid blijven krijgen om zich via gerichte opleidingsprogramma’s verder te bekwamen.