Algemeen

Hervorming van Vlaams houtonderwijs

Onderwijs en arbeidsmarkt beter op elkaar afstemmen vormt ongetwijfeld de belangrijkste uitdaging voor Frank Vandenbroucke, de eerste Vlaamse minister die de bevoegdheid ‘werk’ en de bevoegdheid ‘onderwijs’ combineert. Momenteel legt hij de laatste hand aan zijn beleidsbrief voor de komende vijf jaar. De Vlaamse Confederatie Bouw en de Vlaamse Schrijnwerkers pleiten ervoor dat deze beleidsbrief een grondige hervorming van het houtonderwijs zou inluiden. ’10.000 slimme handen’: dat is het wat de bouwsector vraagt, aldus een recente persconferentie van het FVB (Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid). Door de onaangepaste structuur van het houtonderwijs zijn voor de schrijnwerkers deze ‘slimme handen’ ver te zoeken.

In Vlaanderen beëindigen jaarlijks ongeveer 1.000 leerlingen in het voltijds secundair onderwijs hun houtopleiding. Daarvan stromen er echter amper 25% door naar de schrijnwerkerijen. Dit betekent dat per jaar amper 250 leerlingen uit het houtonderwijs als schrijnwerker worden tewerkgesteld. Al jarenlang is het beroep van schrijnwerker een knelpuntberoep, d.i. een beroep waarvoor de vacatures maar moeizaam kunnen worden ingevuld. In totaal volgen genoeg leerlingen een houtopleiding. Maar deze opleiding is veel te algemeen. De houtafdelingen van het secundair onderwijs scoren dan ook slecht op het vlak van doorstroming naar de arbeidsmarkt.

In 1999 besloot de Vlaamse overheid het aantal studierichtingen in het secundair onderwijs fors te reduceren. In de derde graad (d.i. de laatste twee studiejaren) van het secundair onderwijs bestond destijds de mogelijkheid om naast een studierichting Houtbewerking-schrijnwerkerij een studierichting Houtbewerking-meubelmakerij te organiseren. Maar deze structuur werd omwille van het reductiebesluit uitdovend. Sedert het begin van dit schooljaar bestaat enkel nog een algemene studierichting Houtbewerking.

Het is nu duidelijk dat binnen deze algemene studierichting onvoldoende voeling bestaat met de schrijnwerksector. Leerkrachten en leerlingen kennen de schrijnwerksector onvoldoende. Vandaar dat leerlingen hun weg niet naar de schrijnwerkerijen vinden. Dit valt des te meer te betreuren omdat deze sector heel wat tewerkstellingsmogelijkheden biedt. In Vlaanderen zijn ongeveer 16.500 schrijnwerkers tewerkgesteld. Bovendien is het aantal werknemers bij de schrijnwerkerijen de laatste vijf jaar met circa 10% gestegen.

De schrijnwerkerijen van hun kant zijn dan weer ontevreden omdat de leerlingen die zich bij hen aanbieden, over onvoldoende vaardigheden beschikken. Velen klagen dat tal van leerlingen niet eens een raam kunnen maken. Het gaat daarbij niet om een of ander gespecialiseerd onderdeel van de schrijnwerkstiel maar om een essentieel onderdeel van het beroep. Voor elk bouwberoep – ook voor dat van schrijnwerker – heeft de sector vastgelegd wat afgestudeerde jongeren minimaal moeten kennen en kunnen. Indien afgestudeerde jongeren zelfs deze minimale vaardigheden niet beheersen, loopt er met het houtonderwijs iets fundamenteels verkeerd.

Als minister van werk én van onderwijs beschikt Frank Vandenbroucke over een unieke kans om het houtonderwijs beter op de arbeidsmarkt af te stemmen. Uit de praktijk blijkt dat de verplichte samenvoeging van de derde graad Houtbewerking-schrijnwerkerij en de derde graad Houtbewerking-meubelmakerij nefaste gevolgen heeft voor de tewerkstellingskansen van de jongeren en uiteindelijk een vergissing is gebleken. De Vlaamse Confederatie Bouw en de Vlaamse Schrijnwerkers vragen dan ook aan de minister in zijn beleidsbrief de doorgevoerde reductie ongedaan te maken en opnieuw te voorzien in de mogelijkheid om deze veel te algemene opleiding op te splitsen.