In 1997 is in het blad Cement een serie artikelen verschenen onder de titel ‘De tikkende Tijdbom onder de Bouw- er is meer aan de hand dan alleen bouwfouten’. Nu, zes jaar na het verschijnen van deze reeks, rijst bij Jan Vambersky de vraag of wij met zijn allen hiervan iets geleerd hebben, wij stappen ondernomen hebben ter verbetering en of er ook daadwerkelijk verbetering is opgetreden. In dit eerste artikel gaat hij terug in de tijd en de situatie nu.
De aanleiding voor de serie artikelen over fouten en gevolgen (ing. R. Sagel en prof. J Vambersky) in het blad Cement in 1997 was de schade in de bouw. Volgens ons was er namelijk sprake van een aanwijsbare en structurele oorzaak. Ons doel was, door hierop te wijzen, hierin verandering aan te brengen. De krantenberichten van de afgelopen twee jaar – zonder de afzonderlijke schadegevallen te noemen – lijken het bewijs te leveren dat wij, voor wat het laatst genoemde betreft, hierin niet geslaagd zijn.
Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt, is een van de meest bekende gezegdes. Het maken van fouten hoort bij het ‘menselijke bedrijf’ en is daarom niet weg te denken in alle stadia van het bouwproces. Het is echter niet erg, mits wij de fouten tijdig ontdekken om de gevolgen ervan te kunnen voorkomen.
De gevolgen van fouten kunnen zeer ernstig zijn, variërend van grote financiële schade of een slecht functionerend product tot aan lichamelijk letsel en het verlies van mensenlevens toe. Het laatste vernemen wij uit de media als er op een bouwplaats of elders weer een calamiteit optreedt met zwaar lichamelijk letstel of erger.
Over financiële schade of een slecht functionerend product en de oorzaken hiervan wordt echter gezwegen ongeacht de grootte van de schade en het ongemak. Slechts weinigen, die bijvoorbeeld als arbiters bij de behandeling van de schadegevallen betrokken zijn, hebben daarom enig inzicht in de aantallen, oorzaken en de omvang hiervan.
De bouw wordt gekenmerkt door een fenomeen en dat is het – op enkele uitzonderingen na zoals rijksoverheid, institutionele beleggers, projectontwikkelaars etcetera – vrijwel geheel ontbreken van ervaren, laat staan professionele opdrachtgevers. Dat is niet verwonderlijk als wij bedenken hoeveel keer mensen of organisaties een behuizing voor zich zelf laten ontwerpen en bouwen.
Bij de meesten, voor zover het ‘überhaupt’ voorkomt, zal het een, misschien twee keer het geval zijn. Kortom: te weinig om van enige ervaring te spreken, laat staan van professionaliteit. Om dit tekort aan kennis te compenseren, laten de opdrachtgevers zich bij het ontwerpen en bouwen bijstaan door goed vertrouwde, personen of organisaties. Dat zijn veelal architecten, raadgevende ingenieurs of andere adviseurs die zich terzakekundig voorbereiden voordat het daadwerkelijke bouwen begint. Zo ging dat in het verleden en zo gaat het vandaag.
De verontrustende structurele ontwikkeling die in de genoemde artikelen is genoemd was dat enkele disciplines in het voorbereidingstraject, met daaronder disciplines die verantwoordelijk zijn voor de standzekerheid, de veiligheid en de sterkte van het bouwwerk, steeds minder ruimte krijgen om hun werk naar behoren te kunnen doen.
De selectie voor en toewijzing van dit niet onbelangrijke gedeelte van het voorbereidingstraject (onder meer het constructief ontwerp) vindt niet plaats op basis van het (minimaal) benodigde, maar vaak op basis van de laagste prijs. Veelal ongeacht of hiervoor het minimaal benodigde wel of niet verricht kan worden.
Onaanvaardbaar
Het focussen op de laagste prijs gaat zo ver dat ook de ‘deskundigen’ die de selectie van de voor het voortraject benodigde (constructief) ontwerpers voor de opdrachtgever begeleiden, vaak adviseren de toewijzing te doen plaatshebben op basis van een prijs. Dit is een prijs waarvan reeds van tevoren volstrekt duidelijk is dat deze zelfs de minimaal vereiste prestaties niet dekt.
De constatering was dat het resultaat hiervan is, dat dan zelfs op dit gebied de minimaal vereiste prestaties niet worden geleverd, met alle consequenties van dien voor de kwaliteit, maar ook voor de veiligheid. In de artikelen werd met een aantal voorbeelden aangetoond, dat een op prijs sturen tot bijzonder gevaarlijke en absoluut onaanvaardbare situaties leidt. Situaties, waarin de veiligheid van zowel de bouwvakkers tijdens de bouw als de gebruikers van de opgeleverde bouwwerken op het spel wordt gezet. De schrijvers maakten duidelijk dat hun betoog niet tegen het continue proces van herverdeling van taken tussen de diverse oude en nieuwe disciplines in de bouw ging: in tegendeel. Het betoog ageerde voornamelijk tegen het gevaarlijk onderschatten van noodzakelijke werkzaamheden in het voortraject van de bouw en dan met name die, waar veiligheid in het geding is.
De hoop was dat de Nederlandse bouw en de verantwoordelijke instanties (overheid) zich van deze ‘tikkende tijdbom’ bewust zouden worden en tijdig maatregelen zouden treffen in de vorm van minimum eisen in deze. De genoemde artikelen zijn geschreven aan het einde van een periode met een lage economische conjunctuur. Dat een slechte economie de geschetste ontwikkelingen alleen in de hand werkt is duidelijk. In de omschreven voorbeelden was het zeker het geval. In de periode van een economische ‘boom’ van enkele jaren geleden, ging het echter niet anders. Nu waren het vaak de ontwerpende disciplines (waaronder constructeurs) zelf, die door het te veel werk aannemen, zich overaten, het minimum benodigde niet konden uitvoeren, met uiteindelijk hetzelfde resultaat. De recente golf van schadegevallen die de media heeft bereikt getuigt hier
Inmiddels is de economie weer in een dal beland. Het daarbij behorende ‘laagste prijs syndroom’ heeft de aanjagerfunctie van de eerder geschetste ongewenste situatie overgenomen. Men kan dus niet anders dan stellen, dat deze situatie structureel en bovendien conjunctuur ongevoelig is.
Stappen
Wat is de situatie nu? Is er inderdaad niets veranderd en zijn er onder de bouw ‘boobytraps’ gelegd die nu hier en daar aan het afgaan zijn? Ja en nee. De positieve verandering die in de afgelopen jaren is ingezet is het bewust worden van de voornamelijk ontwerpende partijen en dan met name de constructeurs, dat hieraan iets gedaan moet worden.
Zowel het inmiddels opgerichte Constructeurs Platform als de aanpassingen van de RVOI (Regeling van de Verhouding tussen Opdrachtgever en adviserend Ingenieursbureau) als initiatief van de Orde van de Nederlandse Raadgevende Ingenieurs (ONRI) zijn een bewijs van deze bewustwording. Het zijn de eerste kleine stappen in de goede richting. Maar deze stappen zijn helaas nog bij lange na niet voldoende. Probleem is, dat de roep om meer ruimte en dwang om het werk naar behoren te (kunnen) doen uitgaat van de groep die dit zelf nodig heeft. Dit is niet bepaald verhogend voor geloofwaardigheid en wordt daardoor vaak afgedaan met het spreekwoordelijke ‘preken voor eigen parochie’. Dat de roep van deze groepering de gewenste verandering zal brengen is daarom ook niet aannemelijk. Het verontrustende is dat de overige partijen in het bouwproces, inclusief de overheid, het eerder geschetste structurele probleem niet voldoende onderkennen en het laten voor wat het is.
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

