Algemeen

Bouwkosten in Nederland laag, loonkosten hoog

Nederland en Zweden komen er in een Europese vergelijking van de bouwkosten goed af. Daarop wijst de Zweedse bouwbranche-organisatie Sveriges Byggindustrier (SI) aan de hand van een analyse van het Britse bouwmarktbureau Gardiner & Theobald.

SI wil met de cijfers aantonen dat de hele discussie op de thuismarkt over de hoge kosten die de sector in rekening brengt, vanuit internationale optiek nauwelijks hout blijkt te snijden. SI signaleert in het maatschappelijke debat over de rol van de bouw 'veel versimpeling, misverstanden en pure fouten als het over de bouwkosten gaat.'
De analyse omvat de bouwkosten in 13 EU-landen in 2001 en afgezien van Griekenland zijn de kosten per vierkante meter in Nederland (640 euro) en Zweden (830 euro) het laagst. Groot-Brittannië (ca. 1500 euro) en Finland (1430 euro) pakken daarentegen het hoogst uit. De vergelijking betreft de bouw van appartementen ('binnenstadstype') van hoge kwaliteit in 2001. Het Europese gemiddelde voor deze categorie bedraagt krap 1000 euro.
Wat loonkosten betreft staat Nederland volgens Gardiner & Theobald daarentegen aan de top, pas op enige afstand gevolgd door Denemarken, terwijl Zweden een pure middenmoter is. In Nederland lag een uurloon exclusief sociale heffingen voor een gediplomeerde bouwvakker in 2001 op rond de 27 euro, in Denemarken nog geen 25 euro en in Zweden hooguit 16 euro. Griekenland is ook op deze lijst het land met de laagste cijfers (krap 10 euro), terwijl Groot-Brittannië de lonen met 11 euro per uur beperkt houdt. Inclusief de sociale heffingen zakt Nederland met een uurloon van 32 euro overigens wel naar een 3e plaats en wordt de eerste plaats ingenomen door Duitsland met ruim 35 euro. Zweden zit hier met 30 euro op een vierde plaats. Het EU-gemiddelde is 25 euro.
Dat er niettemin een buitengewoon pittig prijskaartje hangt aan het wonen in Zweden heeft volgens SI heel andere oorzaken. Vooral de fiscus en de noodzaak om veel te stoken maken Zweden tot duurste woonland van de vergeleken 13 EU-staten, gerekend naar het deel van het inkomen (10 procent) dat aan wonen wordt besteed.
In Nederland is het overeenkomstige cijfer 7 procent: waarmee het de 5e plaats bezet, behalve door Zweden ook voorgegaan door Denemarken en Frankrijk (9 procent).