Nadat in 1992 de Europese commissie het systeem van de prijsregeling verbood, is de bouw inclusief de installatiebranche doorgegaan met het systeem. Ook nadat in 1998 de nieuwe Mededingingswet van kracht werd, bleven de vooroverleggen. Dat is illegaal, maar het was nagenoeg onmogelijk uit het systeem te stappen, zo hielden aannemers de enquêtecommissie voor.
Zoals zij het vertelden, werd in dat systeem de concurrentie bepaald niet uitgeschakeld en werd er evenmin aan prijsopdrijving gedaan.
In de installatiebranche was het systeem het meest duidelijk. Daar rekenden bedrijven die mee wilden en ook mochten doen, een werk uit. De prijzen werden ingeleverd. Vervolgens werd gekeken wie er aan de beurt was. Daarbij werd een systeem gehanteerd van montage-uren in eerdere aanbestedingen. Degene die bovenaan de lijst stond, kreeg de kans om het werk te maken voor een vaak door een ander bedrijf uitgerekende prijs. Dat kon de laagste zijn, maar het beeld is dat het vaker de een na laagste of soms het gemiddelde was van de afgegeven prijzen.
Aangezien de enquêtecommissie verzuimde door te vragen waarom het vaak niet de laagste was, is het gissen. De meest waarschijnlijke verklaring is dat de bedrijven wilden voorkomen dat er voor een te lage prijs moest worden gewerkt.
In de bouw werd een soortgelijk systeem gehanteerd van ‘rechthebbende’. Daar was het echter de zelf uitgerekende prijs die telde en gingen de anderen die niet aan de beurt waren, daar boven zitten.
In het algemeen gaven deze systemen geen problemen omdat de begrotingen van opdrachtgevers en de aannemers niet ver uit elkaar lagen. In tijden waarin de opdrachtenstroom gering was, lagen de prijzen van aannemers er vaak onder, in een overspannen markt erboven. Dat is nu eenmaal marktwerking.
De problemen ontstaan wanneer de opdrachtgever een raming heeft gemaakt en de aanbiedingen daar ver boven zitten. Dat was het geval bij de Doggershoek, de Kamper kering en ook bij de Noord-Zuidlijn, de casus die vandaag wordt behandeld. Dan heeft de opdrachtgever het gevoel dat hij, populair gezegd, wordt genaaid door samenspannende bouwbedrijven.
Wat er tot nu toe in de enquête over is gezegd, geeft een opmerkelijk consistent beeld. In alle gevallen waarin er ruzie ontstond over de aanbiedingen, is de opdrachtgever erin geslaagd het werk voor een lagere prijs te gunnen. Echter niet dan nadat óf het bestek is aangepast óf de risico's anders waren verdeeld.
Twee problemen van opdrachtgevers zijn inmiddels wel helder boven water gekomen. Het begrip passende aanbieding is onhelder. De opdrachtgevers vinden een aanbieding ‘niet passend’ zodra die ver boven hun eigen raming ligt.
Niet eerlijk
Het tweede probleem is daar direct aan gekoppeld. Dat is de manier waarop de Raad van Arbitrage voor de bouwbedrijven in Nederland daarmee omgaat. De raad kijkt slechts of er kennelijke fouten in de begrotingen van de opdrachtgever en de aannemer zitten. Aangezien de opdrachtgevers het gevoel hebben dat de raad niet objectief is, omdat er vooral beroepsgenoten in zitten, geeft hen dat aanleiding te veronderstellen dat de arbitrage niet eerlijk verloopt.
De kans is daarom groot dat de enquêtecommissie zal aanbevelen daarin verandering te brengen. Wellicht resulteert dta in een situatie dat beroepsrechters zich over de aanbestedingen moeten buigen. Of rechters er op basis van de huidige regelgeving anders tegenaan kijken, moet de toekomst dan leren.
Voorlopig is de echte kern van de aanbestedingsproblematiek nog niet wezenlijk voor het voetlicht geweest. Die kern is wederzijds vertrouwen en een evenwichtige verhouding tussen opdrachtgevers en aannemers op de aanbestedingsmarkt. Te hopen is dat dit de komende dagen nog aan de orde komt.
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

