Ministers moeten niet alleen de Kamer behoorlijk informeren, ze moeten er ook voor zorgen dat ze behoorlijk worden geïnformeerd door hun ambtenaren. Op dat laatste punt blijven Jorritsma en Netelenbos in gebreke.
De verhoren en de gebrekkige herinnering van (voormalige) bewindslieden vestigen nog eens de aandacht op de ministeriële verantwoordelijkheid voor het doen en laten van ambtenaren. Ministers zijn verantwoordelijk voor alles waartoe zij bevoegd zijn en voor de wijze waarop zij van hun bevoegdheden al dan niet gebruik maken. Zij zijn onder meer bevoegd om hun eigen ministerie zo in te richten en te leiden als hun goed dunkt. Voor al hetgeen in en door een ministerie gebeurt, zijn zij als politiek ambtsdrager verantwoording verschuldigd aan het parlement. Door die constructie kan de politiek de ambtenarij aansturen. Door de politieke ministeriële verantwoordelijkheid heeft het parlement, via de minister, invloed op de ambtenaren en kan het deze 'vierde macht' in bedwang houden. De minister is altijd verantwoordelijk voor hetgeen zijn ambtenaren doen, ook al wist hij niet wat zij deden of nalieten. Dat kan ook bijna niet anders. Als een minister zich zou kunnen verschuilen achter onwetendheid, lokt dat onverantwoord gedrag van de minister en van de ambtenaar uit.
De minister zal dan zo min mogelijk geïnformeerd willen worden door zijn ambtenaren, opdat hij altijd tegen het parlement kan zeggen dat hij nergens van wist, terwijl de ambtenaar daardoor van zijn politieke ambtsdrager als het ware carte blanche krijgt. Overigens geldt dat de ministeriële verantwoordelijkheid niet afhangt van al dan niet verwijtbaar handelen van de minister. Aanvaarding van het ambt leidt tot verantwoordelijkheid, ook bij ontbreken van schuld. Wie dat risico niet wil lopen, moet het ambt niet aanvaarden.
Het middel voor het parlement om een minister ter verantwoording te roepen, is het vragen van inlichtingen. Het parlement heeft het recht om door de minister te worden geïnformeerd. Gebeurt dat naar het oordeel van het parlement niet, niet voldoende of niet juist, dan kan het parlement als uiterste middel het vertrouwen in de minister opzeggen, als gevolg waarvan de minister moet aftreden. Het vertrouwen kan echter altijd en om welke reden dan ook worden opgezegd, niet uitsluitend omdat een minister onzorgvuldig is omgesprongen met zijn inlichtingenplicht. Vertrouwen moet er zijn. Ontbreekt dat, dan moet de minister aftreden. De oorzaak van het gebrek aan vertrouwen is niet van belang. Het gebrek aan vertrouwen hoeft niet te worden gemotiveerd. Als het gebrek wordt geconstateerd, noopt dat de minister tot aftreden.
Of er vertrouwen is, bepaalt het parlement. Daarvoor bestaan geen vaste regels. De ene minister overleeft allerlei misslagen en stommiteiten waarvoor hij ter verantwoording wordt geroepen, de ander sneeft bij de eerste de beste confrontatie, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat dat laatste tegenwoordig niet meer voorkomt.
Een parlementaire enquêtecommissie mag iedereen ter verantwoording roepen, ook oud-bewindslieden. Oud-minister Jorritsma van economische zaken herinnert zich bijna niets meer. Haar wordt onder meer aangewreven dat zij meer had moeten doen aan de opsporing van frauduleuze praktijken bij aanbestedingen. Oud-minister Netelenbos van verkeer en waterstaat werd niet geïnformeerd door haar ambtenaren en zou daardoor niet op de hoogte zijn geweest van mogelijke corruptie van sommigen van hen. Oud-minister Korthals van justitie zou de Tweede Kamer verkeerd hebben geïnformeerd toen hij zei dat hij niet wist van een op handen zijnde schikking met frauderende bouwbedrijven. Hun verdediging is niet sterk. De lijn van redeneren lijkt te zijn: "Mijn ambtenaren informeerden mij niet, dus ik wist het niet, dus ik kon er ook niets aan doen".
Die redenering miskent dat een minister zijn ministerie zo moet inrichten dat dergelijk gedrag door zijn ambtenaren niet mogelijk is. Het niet, niet voldoende of niet juist informeren van een minister door zijn ambtenaren is in de ambtenarij net zo'n doodzonde als het niet, niet voldoende of niet juist informeren van het parlement door een minister. Elke ambtenaar weet dat. Gebeurt het dan toch, dan kan dat de minister worden aangerekend. Wat moet de conclusie zijn over Jorritsma, Korthals en Netelenbos, anders dan dat de verdediging van hun handelwijze niet sterk is? Jorritsma en Netelenbos zijn oud-minister. Zij kunnen niet meer worden gestraft door hen tot aftreden te dwingen als minister. Als zij nog minister zouden zijn, zouden zij, onder 'Paars', waarschijnlijk ook niet tot aftreden zijn gedwongen.
Aangeschoten wild
De coalitiedwang was in de afgelopen jaren zo sterk dat zelfs ministers zoals Sorgdrager, die extreem beschadigd was en als 'aangeschoten wild' uit verschillende Kamerdebatten kwam, door mochten en ook gingen als minister. De gehechtheid aan het pluche was bepaald niet minder groot dan vóór 'Paars'. Voor hen, Jorritsma en Netelenbos, geldt nu dat zij wellicht hooguit wat langer moeten wachten voordat er 'iets leuks' voorbijkomt dat hen van hun Kamerlidmaatschap kan bevrijden. Provinciale Staten van Noord-Holland zullen dezer dagen niet rouwig zijn om het feit dat zij niet Netelenbos, maar Borghouts prefereerden als commissaris van de Koningin.
Interessanter, ook staatsrechtelijk, is de positie van Korthals. Hij is geen minister van justitie meer. Staatsrechtelijk gezien is zijn ambtsopvolger, Donner, verantwoordelijk geworden voor Korthals' handelen inzake de schikking met de frauderende bouwbedrijven. Donner heeft het ambt van Korthals overgenomen, inclusief alle daarmee gepaard gaande explosieve dossiers en lijken in de kast. Maar Korthals is nog wel minister, zij het van defensie. Hij zou het parlement onjuist hebben geïnformeerd als minister van justitie, maar dat gegeven kan door het parlement wel degelijk relevant worden gevonden voor zijn functioneren als minister van defensie. Het kan raken aan het vertrouwen dat hij geniet van het parlement. Het parlement mag hem daarop bevragen. Als hij inderdaad de Tweede Kamer onjuist heeft geïnformeerd, ook al heeft hij dat onwetend gedaan, dan lijkt de ultieme straf aangewezen.
Korthals is overigens niet de eerste minister van defensie die problemen ondervindt vanwege een verleden aan een ander ministerie. Minister Van Eekelen van defensie trad in 1988 af vanwege zijn handelwijze als staatssecretaris van buitenlandse zaken inzake de zogeheten paspoortaffaire enkele jaren daarvoor.
Het zou Korthals sieren als hij het precedent van Van Eekelen niet precies volgt. Korthals zal, volgens kringen rond het kabinet, aftreden als de enquêtecommissie afkeurend over zijn handelwijze rapporteert en zal niet het oordeel van de Tweede Kamer afwachten, precies zoals Van Eekelen destijds deed. Ook al is het oordeel van de commissie in zekere zin al een oordeel van de Tweede Kamer, het zou chiquer zijn als Korthals de confrontatie met de Tweede Kamer zou aangaan. Die Tweede Kamer zou vervolgens de 'nieuwe politieke mores' eer bewijzen door hem niet ten koste van alles overeind te houden, ook al verdient hij meer lof dan zijn oud-collega's, die zich verscholen achter zwakke excuses en uitvluchten, terwijl hij, die toch van hen drieën het meeste te verliezen heeft, open en eerlijk zijn falen heeft toegegeven.
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

