Antwerpen, Brussel en Gent zijn eventjes een concurrentiestrijd aangegaan. Het gebeurt niet vaak dat in drie kunstencentra tegelijk architectuurtentoonstellingen plaats vinden.
Drie tentoonstellingen van en over Office Kersten Geers David Van Severen, Robbrecht en Daem en Juliaan Lampens pretendeerden niet een historisch overzicht te geven, maar brachten een eigen beschouwing op het werk.
Tentoonstellingen werden zelf een project en rukten de architectuurpraktijk uit zijn gebouwde context. Architectuur werd er in haar contemplatie als een museale kunstvorm gepresenteerd waarbij net de visies van de uitgenodigde kunstenaars een blik op de werkelijkheid gunnen. De tentoonstellingen keerden de architectuur letterlijk binnenstebuiten, ze werd er getoond als praktijk, niet als gebouwde werkelijkheid.
De tentoonstelling Robbrecht & Daem - Pacing through Architecture werd in een besloten sfeer in Bozar gepresenteerd. Hier trad je de eigen leefwereld van de architecten binnen, de werkplaats als centrum van de architectuur. Vijf kortfilms van Maarten Van den Abbeele met begin noch einde domineerden de ruimte en vormden een venster op de buitenwereld.
Ze schetsten een bijna tijdloos beeld van vijf sleutelprojecten die de architecten nauw aan het hart liggen: het Concertgebouw in Brugge, het Rubensplein in Knokke, de boshut in de Vlaamse Ardennen, de bibliotheek met gastenverblijf voor musici in Gaasbeek en het eigen kantoor. De oneindige werkelijkheid van de films trad in dialoog met de eindigheid van het creatieproces dat met schetsen, tekeningen, plannen en foto's gepresenteerd werd op ontworpen werktafels.
Het creatieve werkproces van lange adem, op het soms trage en soms overhaaste ritme van de tijd, werd zo geconfronteerd met de nagalmende werkelijkheid.
Werktafel en werkelijkheid werden ook in de tentoonstelling over Juliaan Lampens tegenover elkaar geplaatst.
In tegenstelling tot de directe confrontatie in één grote ruimte werd door de natuurlijke opdeling van de Witte Zaal centraal een derde schaal toegevoegd: deze van het object.
Vier nieuwe, robuuste maquettes van projecten uit de jaren '60 - drie woningen waaronder Juliaan Lampens' eigen woning in Eke en de bedevaartskapel van O.L.V. Van Kerselare in Edelare - vormden als sculpturen op een sokkel een buffer tussen opgeplakte tekeningen en plannen ter illustratie van het creatieve ontwerpproces van Juliaan Lampens aan de ene zijde en klare, hedendaagse foto's van Jan Kempenaers als check-up van de verouderende realiteit aan de andere zijde.
Plannen, schetsen, maquettes en foto's werden visueel steeds met elkaar in verbinding gesteld en lieten toe steeds opnieuw de verschillende presentatieschalen van een project op elkaar af te stemmen.
In deSingel werden de wandelgangen door Office Kersten Geers David Van Severen getransformeerd tot een aaneenschakeling van zeven kamers waarbij het creatieve ontwerpproces het statuut van de werkelijkheid opeiste.
Elke maquette, elke fotomontage toont een briljante eenvoud die iedere stap in het werkproces als een volwaardig eindproduct ziet. De identieke vermenigvuldiging van de kamers verwees naar hun ontwerpen, en werd gegenereerd door tussenschotten die zich enten op de ritmiek van de externe betonnen vinnen van het gebouw. Het is slechts in hun aankleding - plannen, fotomontages en maquettes, tafels en banken - dat de ruimtes hun functie krijgen.
Het is de enige tentoonstelling die de bestaande ruimte met een eigen architectuur aanpast en er zo een eigen wereld in creëert. De sterke relatie tussen de tentoonstellingsarchitectuur en de alledaagse buitenwereld stond in contrast met de etherische sfeer van de verschillende ruimtes. Video en foto's van Bas Princen en Dirk Braeckman toonden een tweede werkelijkheid van onder andere het ontwerp voor de Architectuurbiënnale in Venetië, maar met zicht op de bouw van de uitbreiding van het kunstencentrum werden zij meteen onderdeel van het museumkabinet.
De drie tentoonstellingen toonden een persoonlijke reflectie van architecten en curatoren rond het oeuvre van de architecten. Architectuur binnen brengen in een kunstplaats leek te impliceren dat de architectuur zich een museaal statuut moest aanmeten. Eerder dan een overzicht van gebouwd werk te willen geven, lieten de tentoonstellingen de werkelijkheid los om een parallelle werkelijkheid van het creatieve ontwerpproces als autonoom product te tonen.
Zowel de tentoonstelling als architectuurproject op zich als de tentoongestelde projecten refereerden aan de artistieke context van de ontwerpers, los van hun historisch of maatschappelijk perspectief. Om deze besloten visie te verbreken bevatten alledrie de tentoonstellingen dan ook niet toevallig extra artistiek visueel werk. Maar ook dan bleek de band tussen kunstenaars en architecten nauw, en werd deze externe blik een onderdeel van het tentoonstellingsproject.
De museale positie tegenover de realiteit tussen kunst- en architectuurpraktijk werd zo omgekeerd. Spreken over 'oeuvre' betekende hier spreken over de creatieve praktijk van de architectuur. Maquettes, schetsen, pentekeningen, renders,... werden voor de architecten het gekoesterde residu van een realiteit die ze loslieten en die hen niet meer toebehoort -alleen nog aan de gebruikers en de kunstenaars.
Ze werden zo tentoongesteld als hun persoonlijke essentie van de architectuur.
Tekst: Veronique Boone
Meer over Architectuur
Boekentip: Toolbox Dorpenbouw
10 juni 2026Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

