Aannemers zijn steeds vaker bereid om aankomende bouwvakkers in de praktijk te scholen. Ruim eenderde van de leerlingbouwplaatsen (39 procent) werd vorig jaar in opdracht van aannemers uitgevoerd. Dat blijkt uit het rapport ‘Het rendement van leerlingbouwplaatsen’, dat onlangs werd gepubliceerd door het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB). Tien jaar geleden werd iets meer dan een kwart van de leerlingbouwplaatsen uitgevoerd in opdracht van aannemers. Het gaat dan om projecten die worden gebouwd door aankomende bouwvakkers, onder leiding van een of meerdere leermeesters. Op ruim de helft (51 procent) van de leerlingbouwplaatsen verrijzen woningen. De andere helft bestaat uit restauraties (15 procent), utiliteitsbouw (28 procent) en renovaties (6 procent).
Naast het aandeel van aannemers, blijkt ook het aandeel van de rijksoverheid in leerlingbouwplaatsen in 2002 fors te zijn toegenomen vergeleken met 1992, te weten van 0 naar 5 procent. Een zelfde groei vertoont het aandeel van projectontwikkelaars en vastgoedmaatschappijen. Stichtingen, schoolbesturen, samenwerkingsverbanden en particulieren waren gezamenlijk goed voor 29 procent van de leerlingbouwplaatsen, een groei van 4 procent vergeleken met tien jaar eerder.
Daar staat tegenover dat gemeenten het in belangrijke mate laten afweten. Gaven zij in 1992 nog in 17 procent van de gevallen opdracht voor leerprojecten, tien jaar later is hun aandeel gereduceerd tot een schamele 6 procent. Ook het aandeel van woningcorporaties daalde dramatisch, van 26 procent in 1992 naar 10 procent vorig jaar.
Het geslonken aandeel van de corporaties verklaart het EIB als een effect van de verzelfstandiging en commercialisering van deze organisaties in het midden van de jaren negentig. “Ook voor hen gingen de regels gelden voor een gezonde bedrijfsvoering, hetgeen wellicht heeft geleid tot minder betrokkenheid bij de leerlingbouwplaats”, aldus het rapport. Voor het afnemende enthousiasme van gemeenten geeft het EIB geen verklaring.
Aan het rendement van leerlingbouwplaatsen zal het in elk geval niet hebben gelegen. “Leerlingen die hun vakopleiding in de bouw krijgen op een leerlingbouwplaats, doen het beter dan leerlingen op individuele leerplaatsen”, concludeert het EIB.
Zo blijkt het aantal beginnende bouwvakkers dat een diploma behaalt 10 procent hoger te liggen onder hen die het vak op een leerlingbouwplaats leerden. Opvallend is verder dat bouwvakkers die in de praktijk zijn geschoold langer in de bedrijfstak blijven werken. Van de leerlingen die in 1993 via een leerlingbouwplaats instroomden, werkte in 2001 nog 67 procent in de bouw. “Van de leerlingen zonder leerlingbouwplaatservaring was in 2001 59 procent werkzaam in de bouw.” Ook het aantal bouwvakkers dat doorstroomt naar een vervolgopleiding is binnen de groep die in de praktijk is geschoold iets hoger, te weten 64 procent tegenover 60 procent van de andere leerlingen.
Toch gaan niet alleen de uitblinkers naar leerlingbouwplaatsen. Door het EIB benaderde leerbedrijven (samenwerkingsverbanden) gaven aan dat ze eerder de leerlingen die niet zo goed meekunnen in de praktijk laten leren. “De samenwerkingsverbanden benadrukken dat het niet zozeer gaat om de kwaliteiten van de individuele leerling, maar om de mix van de hele groep leerlingen”, aldus het rapport. “Daardoor kunnen de positieve kanten van de groepsopleiding tot ontwikkeling komen. De jongerejaars kijken als het ware de kunst af van de oudere jaars. Het is juist dit aspect dat de leerlingbouwplaats meerwaarde geeft.”
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

