Algemeen

14% van bouwplaatsen vereist bodemreiniging

Op 1 april 2004, precies een jaar geleden, is de nieuwe regeling op het grondverzet volledig in voege getreden. Intussen is gebleken dat het transport van bodem wel degelijk omzichtig moet gebeuren. Op 40% van de bouwplaatsen waar grondverzet plaatsvond, werden partijen matig tot ernstig verontreinigde bodem gevonden. Op ongeveer 14% van de bouwplaatsen heeft men bodem aangetroffen die eigenlijk moet worden gereinigd. Dit betekent dat bij 14% van de bouwplaatsen de afnemer-consument van de uitgegraven bodem een ernstig saneringsrisico loopt. De afname van verontreinigde bodem zal bovendien nefaste gevolgen hebben voor zijn perceel, zowel voor de vastgoedwaarde ervan als voor de groenten die hij in zijn moestuin wil kweken. Hiervoor bestaat volgens de Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) één oplossing: eis van diegene die de bodem levert, een bodembeheerrapport.

Vooraleer de nieuwe regeling in voege trad, waren de verontreinigingsgraad en het saneringsrisico bij de afname van uitgegraven bodem totaal onbekend. De milieuanalyses in de technische verslagen van de erkende bodemsaneringsdeskundigen scheppen hierin voortaan duidelijkheid. Maar dit is niet voldoende. Tegelijk moeten er voldoende garanties zijn dat de uitgegraven bodem die van op een bepaalde plaats vertrekt, ook op de geplande bestemming aankomt. Daarvoor dient precies het bodembeheerrapport.

In dit rapport wordt het gevolgde tracé per partij bodem van dezelfde kwaliteit en per bestemming duidelijk omschreven: van uitgraving via de volledige transportketen tot afzet. Het bodembeheerrapport vormt dus het sluitstuk bij de tracering van uitgegraven bodem. Het bevestigt dat de geleverde partij wel degelijk mag worden aangewend voor het voorziene gebruik. Zonder bodembeheerrapport bestaat er geen enkele garantie voor de afnemer dat hij bodem krijgt met de toegelaten milieuhygiënische kwaliteit, hoe grondig ook de bodem aanvankelijk werd bemonsterd.

De VCB beklemtoont dan ook het belang voor de consument van een traceerbaarheidssysteem met bodembeheerrapporten dat de ganse transportketen overspant en controleert. Zoniet dreigt door de verontreiniging van tuingronden een crisis die vergelijkbaar is met de dioxinecrisis van een vijftal jaar gelden. Met haar traceerbaarheidssysteem heeft de bodembeheerorganisatie Grondbank er bovendien voor gezorgd dat grondverzet verzekerbaar werd, wat eveneens van groot belang is voor de bescherming van de consument.

De belangrijkste private en publieke opdrachtgevers hebben zich intussen aan de nieuwe regeling aangepast. Zij hebben over de kwaliteit van de uit te graven bodem al duizenden milieuanalyses (technische verslagen) laten opstellen door erkende bodemsaneringsdeskundigen. Bovendien worden deze technische verslagen systematisch overgemaakt aan een bodembeheerorganisatie voor nazicht en conformverklaring. Bij dit nazicht wordt onder meer gekeken naar de praktische uitvoerbaarheid van de grondwerken om aldus nodeloos complexe uitgravingsplannen te voorkomen. Tegelijk hebben meer dan 2.000 bouwbedrijven, grondwerkers, transportfirma’s (een grote meerderheid van de betrokken firma’s) hun werking aan de nieuwe regelgeving aangepast. De centra voor grondreiniging hebben intussen een dusdanige capaciteit bereikt dat zij in staat zijn al de verontreinigde bodem in Vlaanderen effectief te saneren.

Afnemer sensibiliseren

Wel stelt de VCB vast dat de afnemer-consument op de plaats van bestemming nog al te vaak nalaat om van de leverancier een bodembeheerrapport te eisen. Wie zijn vastgoed wenst te beschermen, doet er nochtans best aan om niet zomaar uitgegraven bodem te laten aanvoeren. Gezien de hoge kans op de aanvoer van verontreinigde bodem, bestaat een belangrijk risico dat het terrein door deze aanvoer ongewild saneringsplichtig wordt en een belangrijke minwaarde oploopt. Ook bij vrij kleine aangevoerde hoeveelheden heeft de afnemer belang bij een bodembeheerrapport. De kostprijs van een bodembeheerrapport mag hem zeker niet afschrikken. Voor kleinere partijen grond bedraagt het minimumtarief bij de Grondbank amper 125 euro. De verzekeringspremie is in dit bedrag inbegrepen. Dit betekent dat de saneringskosten verzekerd zijn indien dan toch een saneringsplicht zou optreden. Desondanks stelt de VCB vast dat bedrijven en burgers nog onvoldoende het nut van een bodembeheerrapport inzien. Hiertoe zal extra sensibilisering nodig zijn.

Bovendien wordt de ongecontroleerde afvoer van uitgegraven bodem mede in de hand gewerkt door het enorm overschot aan bouwtechnisch slechte bodem en het beperkt aantal afzetmogelijkheden hiervoor. Weliswaar is het mogelijk onder soepelere voorwaarden bodem op de bouwplaats te verwerken als bouwstof. Maar voor bouwtechnisch slechte bodem biedt deze oplossing geen soelaas. Het acuut tekort aan legale afzetmogelijkheden buiten de bouwplaats verhoogt aanzienlijk het risico dat afnemers onvoldoende bemonsterde en vervuilde bodem aangeboden krijgen.

Opdrachtgevers, aannemers, vervoerders en bodemsaneringsdeskundigen zijn het er alle over eens dat er dringend bijkomende wettelijke mogelijkheden moeten komen om licht verontreinigde en bouwtechnisch slechte bodem onder veilige omstandigheden af te zetten. Een belangrijk knelpunt zijn de uiterst stikte afzetvoorwaarden voor groeven en graverijen. Zo is men verplicht bouwtechnisch slechte grond die toevallig wat te veel ongevaarlijk steenmateriaal bevat, uit te zeven tegen 5 tot 7 euro per ton. Niet alleen veroorzaakt deze verplichting een waanzinnig hoge kost maar bovendien draagt zij niets bij tot het leefmilieu. Vaak zijn de individuele milieuvergunningsvoorwaarden voor de exploitant van een groeve of graverij zelfs nog strenger dan wat het bodemsaneringsbesluit voorschrijft.

Aangepaste acceptatievoorwaarden

Het gevolg is dat exploitanten van groeven en graverijen momenteel zeer weinig grondoverschotten ontvangen. Volgens de VCB werken de strikte acceptatievoorwaarden een ongecontroleerde dumping van licht verontreinigde bodem, bij voorbeeld op landbouwterreinen, in de hand. Een versoepeling van de voorwaarden dringt zich op. Volgens de VCB zal het daarbij volstaan de voorwaarden licht aan te passen en de voormelde anomalieën op te heffen. Want ook de VCB wil vermijden dat groeven en graverijen zouden uitgroeien tot verdoken stortplaatsen voor verontreinigde bodem. In groeven en graverijen mag enkel licht verontreinigde bodem terecht komen, en dan nog mits voldoende toezicht op de aanvoer via een bodembeheerrapport.

Op dit ogenblik wordt de regelgeving inzake grondverzet door de Vlaamse overheid geëvalueerd en waarschijnlijk zal zij worden bijgestuurd. Volgens de VCB zullen beperkte aanpassingen aan de acceptatievoorwaarden voor de groeven en graverijen het overgrote deel van de grondoverschotten al kunnen wegwerken. Opdat meer afnemers een bodembeheerrapport zouden eisen, is geen strengere regelgeving vereist. Op dit vlak moet men vooral zorgen voor een grotere bewustmaking bij alle vastgoedeigenaars en -beheerders dat zij op die manier de waarde van hun vastgoed ook bij aanvoer van bodem beter kunnen beschermen.

In elk geval moet worden vermeden dat gezinnen die 100.000 euro of meer voor een bouwgrond betalen, plots moeten vaststellen dat zij een belangrijke minwaarde hebben tot stand gebracht door ongecontroleerd laten uitgegraven bodem te laten aanvoeren. Vaak zal deze toestand slechts met enkele jaren vertraging aan het licht komen, bij voorbeeld bij de doorverkoop van de woning of bij klachten van buren. Een traceerbaarheidssysteem, zoals de vzw Grondbank toepast, kan dergelijke catastrofen afwenden. De VCB kan de afnemer van uitgegraven bodem dus enkel aanraden er gebruik van te maken en bij de aanvoer van grond steeds een bodembeheerrapport te eisen.

Marc Dillen, directeur-generaal van de Vlaamse Confederatie Bouw