“Het meest voorkomende soort ongeval is vallen van hoogte.” De zin staat in een rapport van het EIB 'Veiligheid in de bouw, veertig jaar Aboma+Keboma'.
Het rapport 'Veiligheid in de bouw, veertig jaar Aboma+Keboma' is van het jaar 2000 maar volgens Han Knegt geldt de conclusie zeker ook voor 2003: bouwvakkers en anderen werkzaam in de bouw vallen nog steeds, vaak met ernstig letsel of dodelijke afloop als gevolg.
Het is dan ook lovenswaardig dat de Arbeidsinspectie en de CAO-partijen campagnes voeren die beogen het (vallende) tij te keren. Maar wat mag je ervan verwachten? Eerst maar eens kijken naar de wijze van benadering.
Zowel de Arbeidsinspectie als de werkgevers en bonden, de CAO-partijen dus, richten zich op het aanpakken van situaties waarbij er gevaar is om te vallen.
De Arbeidsinspectie heeft vooral de werkgevers in het vizier. Lijkt me logisch, in feite bepalen zij voor een groot gedeelte het veiligheidsniveau op het werk. De CAO-partijen richten hun campagne rechtstreeks op de bouwvakkers: het gaat immers om hun zaak, hun veiligheid. Deze aanpak doet denken aan de jaren vijftig van de vorige eeuw: wederopbouw, hard werken en veel ongevallen. Affiches in de schaftruimte: 'Denk om de drie O's: onvoorzichtigheid, onoplettendheid en onwetendheid'. Er staat meestal een dramatische plaat bij, een stompje op de plaats waar in betere tijden een arm had gezeten; of een andere verminking, maar altijd dramatisch. Kwam allemaal omdat de domoor niet goed had opgelet. Hij wíst toch dat die machine gevaarlijk is.
Foutjes
Laten we de halve eeuw ervaring dan niet meetellen? We hebben er toch van geleerd, onze conclusies inmiddels getrokken. Ieder ongeval heeft een eigen voortraject. Een rij van opeenvolgende tekortkomingen, fouten, foutjes zelfs, veroorzaakt uiteindelijk de onveilige situatie, de val. Een bouwvakker die tijdens het lossen van materialen van het platform van een bouwlift valt. Heeft niet opgelet, zegt men dan. Maar de echte oorzaak van z'n val ligt in de wijze waarop de lift is toegerust en opgesteld. En de gevallen man heeft daar meestal part noch deel aan.
De oorzaak van ongevallen wordt te vaak afgedaan met 'menselijke fout' of 'onoplettendheid'; van de getroffenen wel te verstaan.
Kennelijk is de menselijke fout het domein van de doeners en niet van het hogere echelon in de organisatie. Als twee treinen frontaal botsen kun je er vergif op innemen dat de krantenberichten melding maken van een menselijke fout. Meestal van een van de machinisten, of van een sukkel die een wissel of sein verkeerd heeft gezet. Dit is een vorm van geestelijke luiheid die ertoe leidt dat systeemfouten en dieperliggende oorzaken niet boven tafel komen.
Uitbesteden
De bouw is in de laatste tientallen jaren in organisatorische zin sterk veranderd. Uitbesteden is 'in', steeds meer werk wordt uitgevoerd door kleine onderaannemers, ingeleende krachten en zelfstandigen.
Er opereren ook heel wat 'vrije jongens', soms zelfs internationaal. De werkgever die erin slaagt de ingeleende krachten op het juiste moment op de juiste plaats in te zetten, is spekkoper: hij beperkt z'n kosten, koopt arbeid als hij hem nodig heeft: 'just in time' als uitgangspunt voor beleid. Op deze manier wordt echter met het werk ook het risico uitbesteed. En dat risico komt terecht bij werknemers die kwetsbaarder zijn dan hun collega’s met een duurzaam dienstverband. Door het losse karakter van hun arbeid moeten ze de bescherming die grote(re) bedrijven doorgaans bieden, ontberen. Bovendien hebben zij moeilijk toegang tot (beschermende) wetgeving. Weten ze wel de weg te vinden, dan kunnen ze de kosten van deskundige hulp niet betalen.
De uitkomst van een recent rapport van de Arbeidsinspectie kan een indicatie zijn voor de juistheid van deze stelling: onder ingeleende werknemers blijkt het ongevallencijfer hoger te zijn dan onder reguliere werknemers. In feite zijn er twee soorten van valkuilen te dichten, concrete en organisatorische. Naast de al genoemde bouwlift is een voorbeeld van de eerste soort: vloerranden, bijvoorbeeld bij schilvloeren, die in de regel pas worden beveiligd als alle vloerplaten zijn gelegd. Er is dan al heel wat valgevaar achter de rug. De beveiliging moet er zijn voordat de vloerplaten worden gelegd. Het zijn maar twee voorbeelden van preventief denken over veiligheid bij het werk. De kennis om dit soort zaken goed aan te pakken is aanwezig.
Soms vraagt veilig werken om een iets andere aanpak, altijd vraagt het om een goede voorbereiding. En altijd is er meer nodig dan het verbeteren van het veiligheidsbewustzijn van de werknemers: je kunt beter een betrouwbaar leuningwerk aanbrengen dan je medewerker te leren balanceren.
Verantwoordelijkheid
Voor het dichten van valkuil twee zou ik het begrip 'verantwoordelijke organisatie' willen invoeren. De hoofdaannemer dient z'n verantwoordelijkheid te voelen voor onderaannemers, ingeleende werknemers en zelfstandigen en hij dient die verantwoordelijkheid ook concreet gestalte te geven via maatregelen en controle. Dat deze partijen hierbij ook zelf hun specifieke verantwoordelijkheid moeten dragen, spreekt voor zich. Maar uitbesteden van werk mag niet automatisch betekenen dat alle risico's mee worden uitbesteed. Als een werknemer van een onderaannemer van een vloer valt, dient de hoofdaannemer zich daarvoor mede verantwoordelijk te voelen. Het is zijn project, zijn organisatorische verantwoordelijkheid. Daarbij mag je van de Arbeidsinspectie verwachten, dat ze het gesignaleerde hoge ongevallencijfer van ingeleende werknemers stringent gaan aanpakken.
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

