De essentie van de Japanse architectuur ligt historisch gezien in de toepassing van hout.
Hout was eeuwenlang hét traditionele bouwmateriaal, waaruit steden en dorpen voor een belangrijk deel werden opgetrokken.
Twee oorzaken maakten aan die traditie een einde: de vuurstormen als gevolg van Amerikaanse bombardementen, waardoor hele steden in de as werden gelegd, en de ontbossing van het eilandenrijk door houtkap op grote schaal. De naoorlogse opbouw voltrok zich dan ook vrijwel geheel in beton en staal. De laatste jaren is er een kentering gaande: hout wordt weer veelvuldig toegepast, ook al omdat het iets prestigieus aan een gebouw verleent. Een opmerkelijk voorbeeld is het museum van Kengo Kuma in Batoh.
Prestige
“Ik wil de architectuur uitwissen”, schreef de Japanse architect Kengo Kuma in een artikel ter gelegenheid van de opening van het Ando Hiroshige Museum in het Japanse Batoh in 2000. Architectuur uitwissen, het ontwerp zo transparant mogelijk maken en voorkomen dat er een te opvallend object komt te staan, is een terugkerende probleemstelling in het rijke en gevarieerde werk van deze in Tokio gevestigde architect. In zijn spraakmakende werk uit de periode 1986-1991 was dat allemaal nog heel anders.
Kuma onderzocht heterogene collages, ruwe opeenstapelingen en stilistische mengvormen. Het was zijn bedoeling deze chaotische architectuur te laten opgaan in de feitelijke chaos van de snel veranderende Japanse stad.
Na de oprichting van zijn kantoor Kengo Kuma & Associates in Tokio in 1990 wijzigt hij zijn standpunt drastisch door het ontwerp als doel op zich los te laten en voortaan uit te gaan van de aanleiding voor een ontwerp. In die visie moet een bouwwerk zo onzichtbaar mogelijk worden, uitgehouwen als het ware uit het landschap en daarin opgaand.
Het ontwerpen van een museum is voor veel Japanse architecten allang niets bijzonders meer. Bijna elk gehucht heeft blijkbaar een bijzondere inwoner of een of ander traditioneel ambacht waaraan een museum moet worden gewijd. Zo’n museum geeft bovendien een zeker prestige: met een eigen culturele instelling telt een plaats pas echt mee. Sinds de economische crisis een aantal jaren geleden uitbrak, zijn het vooral de lokale overheden die door middel van stimuleringsprogramma’s de stichting van die culturele instellingen mogelijk maken.
Passend
Het lijkt wel of de architectuur in haar ontwerpen voor deze musea ‘back to basics’ gaat. Met eenvoudige middelen wordt ingespeeld op de lokale karakteristieken en de rurale setting. Daardoor ademen veel ontwerpen een nogal conservatieve sfeer. Het Ando Hiroshige Museum lijkt hiervan een voorbeeld, maar schijn bedriegt. Met zijn strikte vormen en de opmerkelijke materiaalkeuze doet het gebouw aan de buitenkant inderdaad traditioneel gesloten aan, perfect passend en zelfs opgaand in het landschap.
Toch speelt Kuma een spel met de traditie, met name door de ingenieuze gelaagdheid van de constructie. Zowel de wanden als het dak van het gebouw zijn samengesteld uit een soort roosters van cederhouten latwerk. Met de verandering van het licht dat door dit latwerk in de expositieruimten doordringt, verandert ook het wezen ervan. Soms laten de roosterpatronen de ruimten in fel licht baden, op andere momenten van de dag heerst er een diffuus, bijna sereen licht.
Met een ontwerp dat volledig uit houten latconstructies bestaat, wilde Kuma van het gebouw een soort lichtsensor maken. Daarin komt het werk van Ando Hiroshige optimaal tot uiting. Zoals Kuma zegt: “een plaats die de kunst en traditie van Hiroshige versterkt door middel van een traditionele en toch ingehouden buitenkant”. Met zijn zadeldak gaat het ruime, één verdieping tellende gebouw inderdaad op in de rijke, natuurlijke omgeving van Batoh.
Ook het sobere interieur, dat een extra dimensie aan de gelaagdheid van het ontwerp verleent, staat geheel in dienst van het tentoongestelde werk: de wanden bedekt met Karasyama washi handgemaakt papier en de vloeren met Ashino-ishi stenen.
Transparantie
Gelaagdheid is in wezen een architectonisch middel om transparantie en translucentie te creëren. De ultieme vorm van beide is uiteindelijk volledige openheid.
De wolkenkrabbers van Mies van der Rohe in Chicago zijn bekende voorbeelden van transparante gebouwen: inherent aan het materiaal, want ze zijn opgetrokken uit een staalconstructie, volledig bedekt met glas. In de moderne architectuur van de eerste helft van de vorige eeuw werd transparantie synoniem met nieuwe ruimtelijkheid. Voor de architectuur is het onderzoeken van nieuwe mogelijkheden voor het gebruik van glas belangrijk, hoewel het nog steeds een vorm van afdichting blijft of een soort borstwering in transparante vorm. Soms wordt de laatste van een extra ‘laag’ voorzien, bijvoorbeeld met draadmetaal, perspex of nogmaals glas voor de constructie van balustrades. Ook het gebruik van zeefdruk en speciale folies is bedoeld om glazen gevels een extra dimensie en gelaagdheid te geven. Vroeger kon transparantie dus alleen worden bereikt door de toepassing van glas.
Speurtocht
Tegenwoordig is er dankzij tal van technische ontwikkelingen veel meer mogelijk. Die ontwikkelingen bieden de kans om het stadium van de translucentie te bereiken.
Een gebouw is dus niet langer open of transparant, uitsluitend door het gebruik van glas, maar ook door andere materialen of door de architectonische structuur. Zo kunnen gelaagde dichte vlakken de transparantie versterken en doorschijnendheid suggereren. Gelaagdheid is bijvoorbeeld het gebruik van verspringende panelen, geplaatst in de lengterichting van een brede gang. Deze krijgt daardoor structuur en ‘leidt’ de gebruiker als het ware door de aanvankelijk ongedefinieerde ruimte. Een veel aangehaald voorbeeld van gelaagde architectuur aan de buitenkant is het Haagse stadhuis van Richard Meyer. De Amerikaanse architect maakte in zijn ontwerp optimaal gebruik van het begrip gelaagdheid: een ‘losstaande’ gevel met daarachter het gebouw.
Een stap verder is de dubbele gelaagdheid: een binnenvenster kijkt uit op een vide die weer door een glaswand van de buitenwereld wordt gescheiden. Opmerkelijk is hierbij het fraai gespreide licht dat in het interieur binnendringt.
Kengo Kuma bereikt met het open latwerk van het Ando Hiroshige museum een zo groot mogelijke openheid met andere middelen dan glas. Het effect dat hij hiermee sorteert is dat het gebouw aan de buitenkant geslotenheid suggereert en in de omgeving lijkt op te gaan. Maar in het interieur creëert hij er juist doorschijnendheid en een mooie diffuse lichtinval mee. Kengo benadert met zijn ontwerp het stadium van de translucentie.
De ultieme situatie in de speurtocht naar een steeds opener architectuur kan worden bereikt met het ontwerpen van een ‘gebouw’ in de vorm van een bijvoorbeeld uit gaas opgetrokken kooi. Hiermee wordt volstrekte openheid gerealiseerd en is de architectuur teruggebracht tot haar uiterste essentie.
Contemplatief
De fascinatie voor het verschijnsel transparantie was voor mij een van de inspiratiebronnen voor een reis naar Antarctica. De opeenstapeling van lagen ijs die daar op het ijskoude continent in overvloed voorkomt, is te vergelijken met de glazen gevels in talloze moderne gebouwen en met de gelaagdheid achter de façades: ze veroorzaken net als de Antarctische ijsmassa’s allemaal een bijzondere breking van het licht.
Dat is voor mij uiteindelijk het voornaamste doel van de zoektocht naar open architectonische structuren: het creëren van een zo gunstig mogelijke invloed van het licht.
Kengo Kuma bereikt met zijn minimalistische ontwerp precies dat effect: met zijn bijzondere lichtwerking dankzij het houten latwerk straalt het een contemplatieve rust uit en wordt één met zijn omgeving. Alles is hier in balans. Daarom is het Ando Hiroshige museum in mijn ogen een buitengewoon geslaagd project.
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

