Bouwunie vindt een aantal positieve maatregelen terug in de plannen van Vlaams minister van Onderwijs en Vorming Frank Vandenbroucke. Zo wil de minister de nijverheidssscholen (dit zijn scholen met o.a. opleidingen bouw, hout en koeling en warmte), extra geld geven om te investeren in basisuitrusting. Het arbeidsgeneeskundig onderzoek van leerlingen-stagiairs valt niet meer ten laste van de werkgever en leraren praktische vakken zullen gemakkelijker een bedrijfsstage kunnen volgen. De minister levert daarnaast bijzondere inspanningen voor het deeltijds secundair onderwijs die de Bouwunie ten zeerste waardeert. Tot slot kondigt minister Vandenbroucke een inhaaloperatie aan voor de bouw en renovatie van schoolgebouwen. Hij gaat daarvoor geld mobiliseren bij private financiers. Dat vindt Bouwunie prima, op voorwaarde dat de talloze kleine en middelgrote bouwbedrijven in Vlaanderen hun deel van de koek krijgen.
Nijverheidsscholen bieden onder meer TSO- en BSO-opleidingen bouw, hout en koeling en warmte aan. Deze scholen hebben dringend nood aan de opwaardering van hun machinepark. Het gaat om basisapparatuur. De Vlaamse regering wil een extra inspanning doen voor deze scholen. Voor iedere leerling die in het schooljaar 2005-2006 school loopt in een van de studiegebieden (2de en 3de graad TSO en BSO, inbegrepen de specialisatiejaren) stelt de regering 200 euro extra ter beschikking. Bouwunie juicht deze beslissing toe. Investeren in moderne basistechnologie is noodzakelijk om de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verzekeren. Bouwunie vraagt de minister wel het advies van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) in te winnen. Enkel in overleg met de sector kan vastgelegd worden wat nu precies basisuitrusting is en wat niet.
Sectorgebonden scholen
Ook het plan van de minister om de investeringsplannen van de scholen per regio te bekijken, kan op goedkeuring van Bouwunie rekenen. Op deze manier kunnen de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk ingezet worden. Bouwunie is trouwens voorstander van sterke sectorgebonden scholen. Jongeren moeten duidelijk kunnen kiezen voor een kwalitatieve opleiding die voorbereidt op een beroep. Een opleiding met kwaliteitsvolle praktijklessen en voldoende werkervaring om de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt zo klein mogelijk te houden. Scholen die duidelijk maken dat je bij hen een specifiek beroep kan aanleren, trekken trouwens beduidend meer jongeren aan. Sterke sectorgebonden scholen hebben beroepsspecifieke leerkrachten, hebben voldoende middelen om het machinepark te vernieuwen, bieden meer gerichte stageplaatsen aan ... kortom, bieden meer kwaliteit. Het is beter om in een bepaalde regio één sterke sectorgebonden school te hebben dan zes scholen die elk een aantal leerlingen per studiegebied hebben en onvoldoende middelen hebben om deze opleiding uit te bouwen.
Arbeidsgeneeskundig onderzoek
Voortaan betaalt de federale regering het arbeidsgeneeskundig onderzoek van leerlingen-stagiairs en regelt ze de praktisch beslommeringen. Positief nieuws voor de werkgevers uit de bouwsector die stageplaatsen aan leerlingen aanbieden. Zij kunnen zich dan ten volle richten op de kwaliteit van de stage. Stages zijn in de bouwsector een absolute noodzaak. De bouwsector van zijn kant engageert zich om voldoende stageplaatsen aan te bieden.
Bedrijfsstages
Daarbij aansluitend juicht Bouwunie toe dat de vervanging van leerkrachten die op bedrijfsstage gaan voortaan beter geregeld is. Bedrijfsstages komen de professionalisering van de leerkrachten ten goede. Leerkrachten in het secundair onderwijs moeten zich voortdurend bijscholen om bij te blijven in hun vakgebied en moeten ook de ontwikkelingen van de sector op de voet volgen. Bedrijfsstages vormen daartoe een belangrijk middel.
Trajectbegeleiding
In de plannen van minister Vandenbroucke gaat heel wat aandacht naar het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Aandacht waar Bouwunie heel tevreden mee is. 62% van de jongeren uit het deeltijds onderwijs zijn immers na de opleiding actief in de bouwsector. Voor het voltijds bouwonderwijs bedraagt dit maar 48%.
Zo krijgt elke jongere in het deeltijds onderwijs een individuele trajectbegeleiding naar de arbeidsmarkt. Het is een stappenplan op maat, gebaseerd op permanente ondersteuning, waarbij de trajectbegeleider samenwerkt met de bedrijven. Dergelijk traject is noodzakelijk, aldus Bouwunie, en moet ervoor zorgen dat jongeren niet vroegtijdig afhaken én dat ze werkervaring opdoen. Uit de gegevens van het ministere van Onderwijs blijkt dat nu meer dan 40% van de jongeren in het deeltijds beroepssecundair onderwijs geen tewerkstellingsplaats hebben.
Lesspreiding
Bouwunie is tevreden met de alternatieve lesspreiding die de minister voor het deeltijds secundair onderwijs mogelijk maakt. Zoals in het voltijds onderwijs steunt het deeltijds beroepssecundair onderwijs op het principe van de gelijkmatige lesspreiding. Dit houdt in dat tijdens het schooljaar eenzelfde wekelijkse lessentabel van 15 uur geldt. Het is veel beter om te werken met flexibele lessenroosters. De minister start vanaf dit schooljaar een driejarig onderwijsexperiment waarbij centra deeltijds onderwijs toelating krijgen om een gedifferentieerde lesspreiding te organiseren. Gedurende bepaalde periodes van het schooljaar volgt de leerling alleen onderwijs en gedurende andere periodes doet hij werkervaring op. Deze tijdsindeling maakt zowel lessen als stage intensiever. Bovendien kan op die manier ook ingespeeld worden op bijvoorbeeld weergrillen waarvan de bouwsector erg afhankelijk is.
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

