Algemeen

Imago van bouw veel te negatief

Het wordt hoog tijd dat het negatieve imago van de bouw positief wordt bijgekleurd. Deze stelling poneert het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid. Het EIB baseert zich daarbij op onderzoek waaruit blijkt dat de bouw er ten opzichte van andere sectoren juist positief uitspringt.

Het imago van de bouw als sector waar de arbeidsomstandigheden veel te wensen overlaten en het verloop groot is, wordt niet bevestigd, schrijft het EIB in zijn rapport ‘Arbeid in de bouw vergeleken’. Zo schommelt de uitstroom uit de bouw de laatste jaren rond 9 procent. Daarmee ligt het verloop onder het landelijk gemiddelde.
Wat de kwaliteit van de arbeid betreft scoort de bouw uiteraard slechter dan gemiddeld als het gaat om fysieke belasting. In alle sectoren waar fysieke arbeid wordt verricht, geeft gemiddeld één op de twintig werkenden aan dat regelmatig gevaarlijk wordt verricht. In de bouw en ook in de landbouw is dit aandeel in 2002 twee tot drie keer zo hoog.
Iets minder erg is het fenomeen van langdurig werken in dezelfde houding en repeterende bewegingen. Bijna de helft van de werkenden klaagt daarover. In de bouw ligt het aandeel opnieuw iets hoger.
Over de inhoud van het werk zijn bouwvakkers meer te spreken dan hun collega’s in andere bedrijfstakken. Zo geeft 40 procent van de werknemers aan regelmatig in een hoog tempo te moeten werken. In de bouw is dit aandeel juist lager. Ook werkt gemiddeld bijna eenderde van de werknemers regelmatig onder hoge tijdsdruk. Ook dit aandeel ligt in de bouw lager.
Wellicht heeft dit te maken met het feit dat bouwwerknemers in hoge mate zelf invloed kunnen uitoefenen op de werk- en tijdsdruk. Met de 70 procent van de bouwvakkers die dit vindt, steekt de bouw uit boven de andere sectoren.

Lonen
Afwijkende werktijden komen in de bouw weer minder voor dan in andere bedrijfstakken. Driekwart van de bouwwerknemers noemt daarbij de beloning in 2002 goed. Uit het onderzoek blijkt overigens ook dat de cao-lonen in de bouw iets sneller zijn gestegen dan in de vier andere onderzochte sectoren.
Promotiekansen blijken schaars. Meer dan de helft van de bouwvakkers geeft aan dat promotiemogelijkheden gebrekkig zijn. Schrale troost is dat het in ander bedrijfstakken nog lastiger is door te stromen.
Het EIB concludeert uiteindelijk dat de bouw in veel opzichten een traditionele bedrijfstak is. De vaste voltijdsbaan is regel en er zitten voornamelijk mannen. Tegelijkertijd kent de bouw vele moderne verworvenheden. Het negatieve beeld van de bouw is dan ook onterecht.