Het hergebruik van oude gebouwen is naar de mening van Han de Kluijver bij uitstek een marktsegment waar veel kansen liggen voor de interieurarchitectuur. De gebouwen bestaan immers al, de funderingen zijn gelegd en de architectonische vorm is bepaald.
De interieurarchitectuur kan een belangrijke rol spelen bij het bepalen en realiseren van een nieuwe bestemming van een bestaand gebouw.
Hetzelfde geldt voor haar aandeel in het nieuwe ‘time-based’ bouwen: gebouwen zo ontwerpen dat hun functie in de loop der jaren kan veranderen, dat ze aanpasbaar zijn. Voor hergebruik van gebouwen is een groeiende belangstelling. Dat komt vooral door het grote aanbod van gebouwen waarmee nog wel ‘iets kan worden gedaan’.
Afgedankte en afgeschreven fabrieken, watertorens, stations, kazernes en kerken uit de twintigste eeuw zijn nogal eens gesitueerd op plaatsen nabij stadscentra, die bijzonder in trek zijn als woonplekken. De degelijke bouw en vooral de forse afmetingen maken ze geschikt voor tal van nieuwe functies: fitnesscentra, zwembaden, kleine bedrijven en woningen. Het resultaat is vaak een spannende combinatie van – en tegelijkertijd confrontatie tussen – functie en vorm. Deze lijken niets met elkaar te maken te hebben, maar ze blijken uitstekend samen te kunnen gaan.
Potentie
De functie van een gebouw rechtvaardigt het bestaan ervan. Wanneer het die functie verliest – te klein of voldoet niet meer aan de moderne eisen – rijst de vraag of het in stand moet worden gehouden of gesloopt.
De economie levert in het algemeen sterkere argumenten op om te slopen dan emoties doen om het gebouw te behouden. Welke rechtvaardiging is er om een leegstaand gebouw jaar in jaar uit ‘af te stoffen’? Hooguit de inschatting dat het op korte termijn weer een functie zal kunnen vervullen. In bijna alle gevallen is hergebruik dus de enige manier om een leegstaand gebouw in stand te houden.
Om gebouwen opnieuw te gebruiken, moeten ze wel aantrekkelijk genoeg zijn om de inspanning en de financiële consequenties van een complete herinrichting te rechtvaardigen. Vooral laatstgenoemde zijn dikwijls aanzienlijk. Gebouwen moeten voldoende potentie bezitten om een nieuwe functie te kunnen herbergen, zonder dat er aan die functie al te veel concessies hoeven te worden gedaan.
Het rationele uitgangspunt ‘form follows function’ dat de Amerikaanse architect Sullivan aan het begin van de twintigste eeuw formuleerde en dat een zakelijke architectuur aankondigde die wars was van elke niet-functionele toevoeging, wordt door hergebruik van oude gebouwen als het ware omgekeerd.
De functie moet in een bestaande vorm worden ‘geperst’ met als enige oogmerk die vorm – het gebouw – te handhaven, omdat het zo aantrekkelijk is. Gebrekkige ventilatie, te steile trappen, slechte isolatie en dergelijke moet je op de koop toe nemen, omdat het gebrek daaraan ruimschoots wordt gecompenseerd door de sfeer en de ambiance van het oude gebouw. Bij hergebruik bepaalt dus het programma niet langer de vorm, maar de vorm legt het programma vast.
In de laatste halve eeuw is er meer gebouwd dan in de hele menselijke geschiedenis daarvoor.
Sinds de Verlichting komen er geen bouwwerken voor de eeuwigheid meer. Het valt op dat de tijd korter wordt tussen oplevering van gebouwen en het moment waarop besloten wordt het te slopen of voor de toekomst te behouden. Omdat de functionele levensverwachting van gebouwen dus steeds korter wordt, dringt de vraag zich op of we eigenlijk wel iets moeten bewaren. En als we tot dat laatste besluiten, wat moet we er dan mee en hoe moet er worden geïntervenieerd?
Het dilemma van de moderne tijd is dat de westerse samenleving zich voornamelijk richt op alles wat nieuw is en op de toekomst, en te weinig oog heeft voor historie. Dat kan alleen maar als men de overblijfselen van dat verleden afbreekt en vergeet. Het bezwaar van deze benadering is het beste samengevat een aloude wijsheid: zonder verleden is er eigenlijk geen toekomst mogelijk, om de eenvoudige reden dat er dan geen referentiekader is.
Huldigen
Zoals meestal zal de waarheid – is sloop of behoud het beste – wel ergens in het midden liggen, en de vraag is hoe je die vindt. Dat is nu de boeiendste opgave van ons vak. Bepaalde havengebouwen zijn op een gegeven moment overbodig of verouderd. Eigenaren laten ze ontruimen en stellen hun toekomst ter discussie. Een negatief oordeel is dan snel geveld, want leegstaande gebouwen hebben nog maar weinig aantrekkelijks. Weinigen maken dan ook bezwaar tegen sloop. Of sloop recht doet aan de cultuurhistorische waarde en eventuele potentie tot hergebruik zijn de volgende vragen die aan de orde komen.
Sommigen huldigen de opvatting dat sanering noodzakelijk is om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken en daarvoor ruimte te scheppen. Anderen stellen dat monumenten (ook industriële) tot ons erfgoed behoren, dat zonder enige transformatie moet worden doorgegeven. Deze stelling lijkt achterhaald in onze dynamische wereld, waarin de begrippen verandering en vernieuwing immers juist centraal staan.
Volledig en onveranderd behouden is dus niet meer goed mogelijk. Zoals eerder gesteld is het wel belangrijk verband te blijven leggen met de geschiedenis om het noodzakelijke referentiekader te scheppen. Wat vandaag wordt gebouwd is morgen immers ook al weer historie.
Lagen stadsvernieuwing en monumentenzorg nog niet zo lang geleden mijlenver uit elkaar, tegenwoordig vinden ze elkaar in een nieuwe definiëring van hergebruik van gebouwen. Behoud is daarin niet meer synoniem met niets doen, maar is een volwaardige ontwerpopgave geworden. Daarmee ontstaat een nieuw, meer strategisch zicht op hergebruik: niet meer gericht op het behouden van ‘eeuwige’ waarden, maar op het vasthouden aan juist die structuren die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. Culturele duurzaamheid is daarin een kernbegrip.
Een bestaand gebouw krijgt een vaak verrassende nieuwe bestemming en bij het ontwerpen van nieuwe gebouwen moet met toekomstige, totaal andere functies rekening worden gehouden: het flexibele of ‘time-based’ bouwen. Tot slot een paar aansprekende voorbeelden van hergebruik, waaraan ook ontwerpers van nieuwe, flexibele gebouwen zich zouden kunnen spiegelen. Eerst enkele oplossingen uit eigen land. In Lisse, Sassenheim en Rijnsburg werden bollenschuren op succesvolle wijze getransformeerd tot woningen en bedrijfsverzamelgebouwen. Kerkgebouwen in Haarlem, Den Bosch, Helmond en Zwijndrecht kregen de respectievelijke bestemmingen tot kapsalon, orangerie, supermarkt en kinderdagverblijf. De ruïne van Heenvliet werd onlangs gebruikt als decor voor een glaskunstmanifestatie.
Omgetoverd
Ook op tal van plaatsen in de wereld zijn fraaie staaltjes van hergebruik te vinden. Het beroemde paviljoen van Mies van der Rohe in Barcelona is in gebruik als toeristische attractie. Tretower in Wales is onderdeel van een boerderij geworden. In Buenos Aires is het grote havengebied Puerto Madera, vlakbij het centrum, omgetoverd in een schitterende woonwijk. De zestien rode bakstenen pakhuizen herbergen exclusieve appartementen. Op de kades werden kranen en andere haveninstallaties geïntegreerd in de openbare ruimte. Wat er met de geheel uit metaal opgetrokken en nu verlaten basis op Antarctica gaat gebeuren, is nog niet bekend. Ooit in gebruik als centrum voor de verwerking van gevangen walvissen, resten er voor de nederzetting twee mogelijkheden. Een hergebruik als bijvoorbeeld onderzoekstation, of langzaam wegroesten in de polaire atmosfeer.
Kortom, de komende jaren zal hergebruik van oude gebouwen en het ontwerpen van nieuwe, aanpasbare bouwwerken belangrijker worden. Niet alleen om redenen van cultuurhistorische aard, maar ook uit economische overwegingen, hoe kostbaar dergelijke verbouwingen momenteel vaak nog zijn. Voor de interieurarchitect liggen hier dan ook grote mogelijkheden en een belangrijke rol weggelegd.
Meer over Architectuur
Boekentip: Buitengewoon Belgisch Bouwen 11
2 juni 2026Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Elke werkdag het laatste nieuws in uw mailbox!
Aanmelden!Alleen de nieuwsbrief, geen spam

