Algemeen

Een pand zonder ziel is carrosseriebouw

Een zorggebouw ontwerpen met specifieke aandacht voor de gebruikers en het personeel, blijkt niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Het College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen houdt er volgende week zelfs een congres over en het Landelijk Bureau Toegankelijkheid gebruikt deze week voor acties over hetzelfde onderwerp. Voor Jan Weeda van het gelijknamige architectenbureau in Rotterdam is zorggerichte architectuur een logische manier van ontwerpen.

Weeda plaatst de functie van een gebouw boven de vorm. Beter nog, de vorm rolt voort uit de functie, een gebouw met een ziel.
Opdrachtgevers die een kantoorkolos van 10.000 vierkante meter op een bedrijventerrein willen laten bouwen zonder te weten wie de toekomstige huurders worden, mogen de deur van het Rotterdamse architectenbureau voorbijlopen.
“Ik mis wie er in komen te werken of wonen. Voor mij is zo’n pand een soort carrosseriebouw, een koets met een mooie schil maar zonder, ja laat ik het woord toch maar gebruiken, zonder ziel. Een gebouw moet een ziel hebben.”
Weeda kan bogen op een lijst welzijnsgebouwen van zijn hand door heel Nederland. Het crisisopvangcentrum voor vrouwen in Den Bosch, het tehuis voor daklozen in Rotterdam, een verzorgingshuis in Vlaardingen, scholen, sportcomplexen, maar ook appartementen.
Onlangs werd het psychiatrisch ziekenhuis De Gelderse Roos in Wolfheze opgeleverd. Een groot project met een open en een gesloten afdeling. Na negen jaar denken, praten, procedures, stilstand en weer denken en praten staat daar nu een complex bestaande uit twee klavertje-drie paviljoens, met veel binnenruimten, patio’s, groen en privacy.
Dat is waar het Weeda om gaat. Niet alleen een gebouw op de tekentafel met aardige snufjes, een eigenwijs schuin lijntje of andere architectonische verrassingen. Hij wil een maatpak, aangepast aan het karakter van de gebruikers die er zich lekker in moeten voelen, en harmoniërend met de omgeving waarin het pand als een goede buur moet passen. Dat betekent dat niet alleen hij, maar de hele bouwcommissie rond de tekentafel zit.
“Zeker”, bevestigt Weeda in zijn sober ingerichte maar kleurrijke kamer in een statig oud pand aan de Schiedamsesingel. “Ik wil met open blik de opdracht beginnen, als een onbeschreven blad. Ik weet alleen van bouwen en architectuur, de anderen weten van de inhoud, hoe ze er praktisch in willen werken, wat de bewoners nodig hebben. Met elkaar groeit het ontwerp. Soms is dat lastig zoals bij de Gelderse Roos. Door allerlei omstandigheden heeft het zo lang geduurd dat de tijd op gespannen voet kwam te staan met de planning. Tussentijds veranderden inzichten, bouweisen, wensen doordat de bouwcommissie van samenstelling wijzigde en het toegestane aantal vierkante meters. We bleven veranderen.”
Gebruikersgericht ontwerpen betekent ook dat de architect zich voor een groot deel wegcijfert. Weeda aarzelt of hij deze opmerking moet bevestigen of ontkennen. Is dat belangrijk?
Kom, kom, ook een architect heeft een ego en als je met zijn twaalven tekent, kun je niet na de oplevering zeggen: Kijk daar staat een Weeda!
“Dat is voor mij niet interessant, hoewel je er altijd iets van jezelf in legt ondanks alle overleg en aanpassingen. Ik gebruik veel kleur, soms felle kleuren, en veel natuurlijke materialen zoals steen en hout. Ik ben geen kunststofmens. Je moet je afvragen of architectuur het doel of het middel is, voor mij is het het middel.”
Het lijkt Weeda goed dat het College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen extra aandacht geeft aan dit thema. “Misschien is er meer traditionele architectuur dan wij denken, waarin de architect stuurt hoe de bewoners moeten wonen. Juist bij zorginstellingen, maar eigenlijk geldt het voor praktisch elk bouwwerk, bepalen de gebruikers de lijnen. Dat lijkt mij heel vanzelfsprekend, maar als we het erover moeten hebben, zit er kennelijk toch iets niet goed.”