Algemeen

Duitse voorheffingsregeling discrimineert

Op 7 september 2001 werd in Duitsland een wet ter bestrijding van de illegale tewerkstelling in de bouwsector van kracht. Deze zogeheten 15 procent-voorheffingsregeling blijkt na onderzoek van de juriste Johanna Hey, uitgevoerd in opdracht van de Stichting Nederlands-Duitse Bouwexport (Nedubex), in strijd met het Europese recht. De regeling werkt volgens Nedubex discriminerend.

Volgens de wet zijn opdrachtgevers van "bouwwerkzaamheden" sinds 1 januari 2002 verplicht om 15 procent van de bruto-aanneemsom op de betalingen aan de opdrachtnemer in te houden en af te dragen aan de Duitse fiscus. Dit bedrag is bedoeld als voorheffing voor eventueel in Duitsland verschuldigde vennootschapsinkomsten- en/of omzetbelasting. Volgens het rapport van Johanna Hey werkt de regeling discriminerend:

Nederlandse bedrijven krijgen een vrijstelling per project of per jaar, terwijl een Duits bedrijf een vrijstelling krijgt voor 3 jaar.

Een Duits bedrijf hoeft slechts een kopie van de vrijstelling aan de opdrachtgever te overhandigen, een Nederlands bedrijf moet het origineel inleveren.

Er zijn extra kosten voor buitenlandse bedrijven, omdat zij in Duitsland een “inländischer Empfangsbevollmächtigter” (postgevolmachtigde) aan moeten stellen.

Voor buitenlandse bedrijven is een bewijs van bedrijfsvestiging vereist.

Buitenlandse bedrijven hebben omgekeerde bewijslast nodig om aan te tonen dat heffing van belasting niet in gevaar komt.

Bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing worden buiten spel gezet.

Europarlementariër Elly Plooy-van Gorsel heeft de Europese Commissie gevraagd of de nieuwe wet tot indirecte discriminatie van buitenlandse bedrijven zou kunnen leiden. Volgens de Europarlementariër blijken bouwondernemingen, die geen vrijstelling krijgen, geen opdrachten meer te krijgen in Duitsland. De Europese Commissie meent echter: “Volgens gegevens van de Duitse autoriteiten werden zo'n 600.000 attesten voor de vrijstelling van de 15 procent heffing uitgereikt onder Duitse ondernemingen. Volgens dezelfde bron hebben ongeveer 10 000 buitenlandse ondernemingen een aanvraag voor een dergelijk attest ingediend, die in nagenoeg alle gevallen is gehonoreerd.”

Bewijslast
Ook Peter Strick van Anwaltskanzlei Strick in het Duitse Kleef is van mening, dat het in de praktijk allemaal niet zo’n vaart loopt. Volgens Strick past de regeling in wat er in internationale verdragen is afgesproken over werken in het buitenland. Landen mogen belasting heffen op bedrijven en personen die in het land werkzaam zijn. In feite, zo stelt Strick, is per 1 januari de bewijslast omgedraaid, waarbij in de procedure moet worden aangetoond hoe lang een bedrijf werkzaam is geweest in Duitsland. Als dat langer dan 12 maanden is, moet het belasting betalen. Strick heeft echter ook twijfels of de administratieve rompslomp die verbonden is aan het het afdwingen van het betalen van belasting in het juiste land, EU-conform is. In een expertise voor de EVO (belangenbehartiger van verladers, ontvangers en eigen vervoerders) komt hij tot de conclusie dat een procedure bij het Europese Hof goede kans zou maken. Hij wijst er echter op dat er daadwerkelijk legio Nederlandse bedrijven zijn die zo structureel in Duitsland werken dat zij aldaar ook zonder enige twijfel belastingplichtig zijn. Met of zonder de 15 procent regeling zal de Duitse fiscus deze bedrijven vroeg of laat traceren omdat via een nieuwe wet nu alle Duitse overheidsinstanties de gegevens over de activiteiten van buitenlandse bedrijven in Duitsland gaan matchen. Op dit moment ontvangen talloze Nederlandse bedrijven een vragenformulier van het Finanzamt Kleve (de speerpuntfiscus voor alle Nederlandse bedrijven). Het Finanzamt stelt dat men (op welke manier?) in ervaring heeft gebracht dat het Nederlandse bedrijf in Duitsland activiteiten heeft ontplooid c.q. ontplooit. Aan de hand van een tiental (vang)vragen tracht het Finanzamt helderheid te verkrijgen m.b.t. de vraag welke activiteiten in welk land aan de belastingplicht zijn onderworpen. Strick adviseert bij het beantwoorden van het vragenformulier zorgvuldig te werk te gaan en zich bewust te zijn dat men middels een onbedacht antwoord (dat wellicht uit een misverstand resulteert voortvloeiende uit het ambtelijke Duitse taalgebruik) zichzelf tot belastingplichtige in Duitsland uitroept.