Algemeen

Alternatieve financiering zorgt voor gezondere klaslokalen

Het volgende schooljaar zullen heel wat leerlingen nog in afgeleefde en ongezonde lokalen moeten zitten. De Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) hoopt dan ook dat minister Vandenbroucke weldra de financiële instelling zal kunnen aanduiden waarmee hij voor een miljard euro 211 schoolgebouwen zal bouwen en renoveren. Deze operatie zal gedegen en gezonde scholen opleveren vermits de private sector de gebouwen dertig jaar lang zal moeten onderhouden. De alternatieve financiering van zoveel gebouwen voorbereiden vergt nu eenmaal tijd. Maar zonder alternatieve financiering bedraagt de doorlooptijd van subsidieaanvraag tot nieuw schoolgebouw maar liefst 15 jaar. Volgens de VCB is er dus geen alternatief voor alternatieve financiering. Er moet nu wel dringend een signaal komen naar alle betrokkenen over het verloop van de onderhandelingen. Dan kunnen die zich zo snel mogelijk voorbereiden. Anders dreigen na de keuze van de financier nog eens twee jaar verloren te gaan.

Momenteel bestaan bij de Vlaamse scholenbouw twee knelpunten: enerzijds zijn de reguliere investeringsmiddelen voor nieuwe leslokalen en grondige renovaties te beperkt waardoor op kwaliteit wordt ingeboet, en anderzijds moeten de scholen het onderhoud nadien vanuit hun algemene werkingsmiddelen bekostigen, waardoor het dikwijls wordt veronachtzaamd. Voor beide problemen zorgt het systeem van alternatieve financiering dat minister Vandenbroucke heeft laten uitwerken, voor een oplossing: de investeringsmiddelen voor nieuwe gebouwen worden op die manier fors uitgebreid en de nieuwe gebouwen zullen nadien ook degelijk worden onderhouden.

De VCB herinnert aan de oorspronkelijke beweegreden om tot alternatieve financiering over te gaan: bij de subsidieaanvragen van de scholen voor nieuw op te richten en grondig te renoveren gebouwen was een wachtlijst van bijna 1,5 miljard euro ontstaan terwijl de jaarlijkse overheidsdotatie voor schoolinfrastructuur slechts ongeveer 150 miljoen euro bedroeg. De doorlooptijd voor een subsidiedossier van de aanvraag tot het einde van de werken was opgelopen tot 15 jaar.

Intussen is er nog een beleidsmaatregel bijgekomen die de bouwkost voor een nieuw schoolgebouw verder verhoogt. Schoolgebouwen waarvoor na 31 december 2007 een bouwaanvraag wordt ingediend, moeten aan de E70-norm voldoen. De VCB ondersteunt deze maatregel maar wijst er wel op dat zij onbetaalbaar is als de overheid niet zorgt voor bijkomende investeringsmiddelen via alternatieve financiering.

Deze E70-norm impliceert dat nieuwe scholen over verwarmingstoestellen met een hoog rendement zullen beschikken, een betere isolatie zullen krijgen en beter zullen worden geventileerd. Uit onderzoek is gebleken dat in heel wat schoollokalen de lucht momenteel zo ongezond is dat kankerverwekkende stoffen, bacteriën en schimmels welig tieren. Dit kan alleen worden opgelost door een dikkere isolatie te combineren met een degelijke ventilatie.

De ramen openen tijdens de speeltijden volstaat niet. Want zodra de leerlingen weer in de klas zijn, gaat de uitstoot van CO2 al heel snel weer stijgen. Hoe snel de CO2-uitstoot door de ademende leerlingen stijgt, blijkt duidelijk uit de bijgevoegde grafiek die de evolutie van deze uitstoot over een ganse dag van 24 uur in kaart brengt in een Vlaams leslokaal. Telkens de lessen van start gaan (omstreeks 8 uur, halfelf en halftwee), gaat de curve van de CO2-uitstoot al zeer vlug de maximumgrens van 1.200 ppm overschrijden.

In het kader van de alternatieve financiering voor de Vlaamse scholenbouw zal de financiële instelling er niet alleen voor zorgen dat de gebouwen van bij het begin aan hoge isolatie- en ventilatienormen voldoen. Zij zal ook voor beter onderhouden schoolgebouwen zorgen. Zij zal immers worden afgerekend op de mate waarin gedurende een periode van dertig jaar de lokalen voor lesopdrachten beschikbaar blijven.

De VCB ontkent ook dat alternatieve financiering tot hogere bouwkosten zal leiden dan reguliere financiering. Als de risico’s tussen publieke en private partners evenwichtig worden verdeeld en elke partner de risico’s draagt die hij best aankan, zal alternatieve financiering geen hogere kosten met zich meebrengen. Specifiek voor de alternatieve financiering van de Vlaamse scholenbouw is dat via een tussenvennootschap wordt gewerkt die de financiële risico’s op zich neemt. Dit heeft tot gevolg dat bouwaannemers zich ten volle kunnen toeleggen op de taken waarin zij het best zijn: het ontwerp, de oprichting en het onderhoud van gebouwen. Dit betekent ook dat een groter aantal bouwbedrijven effectief hun knowhow zullen kunnen inbrengen wanneer de aanbestedingen voor ontwerp, bouw en onderhoud op de markt zullen komen.

Typisch voor systemen van alternatieve financiering is de langere voorbereidingstijd. Zeker voor een inhaaloperatie van een miljard euro kan een minister niet over een nacht ijs gaan. Maar de VCB hoopt dat minister Vandenbroucke eerstdaags de financier kan aanduiden of althans kan meedelen tegen wanneer zijn aanduiding kan worden verwacht. Dan kunnen alle betrokkenen (schoolbesturen, overheden, aannemers enz.) zich al voorbereiden om de projecten na de aanduiding van de financier zo snel mogelijk te concretiseren en de stedenbouwkundige vergunningen hiervoor zo vlug mogelijk uit te reiken.